Patricia Duncker wordt gefascineerd door de kracht van het menselijk verlangen. Ook in haar nieuwe roman ‘Dodelijke afstand’ speelt dat een bijzonder destructieve rol.

Patricia Duncker, ‘Dodelijke afstand’, Atlas, Amsterdam, 272 blz., euro 22,50.

‘Mijn jeugd is één lange vredige herinnering aan regen. Een Engelse jeugd van fatsoenlijke voorsteden, onbeduidende gebeurtenissen en een aanhoudende motregen, onderbroken door een handjevol zomerdagen met groene gazons, flets zonlicht, het geluid van grasmaaiers die door het vochtige gras snorden, croquet en margrieten.’ Zo vat Toby Hawk zijn rustige leventje voor de volwassenheid samen. Hij woont samen met zijn zestien jaar oudere moeder Isobel die tevens zijn beste vriendin is, adoreert haar om de schilderijen die ze maakt en als er al eens iets scheef zit, vindt hij steun bij zijn achtertante Luce, een lesbische textielontwerpster. Niet lang na zijn achttiende verjaardag gaat het evenwel goed mis. Telkens wanneer Isobel stukken later dan normaal het huis binnenkomt, ruikt ze naar sigaretten, en Toby maak je niet wijs dat ze is beginnen te roken.

Patricia Dunckers nieuwste roman Dodelijke afstand beschrijft het effect van een nieuwe man op de knusse moeder-zoonrelatie tussen Toby en Isobel, hoe beiden eerst uit elkaar, maar later ook weer naar elkaar toe gedreven worden, en dat op een emotioneel bijzonder ondergravende manier. Dat dit effect zo hevig is, ligt niet alleen aan het afgeschermde wereldje van dit tweetal, maar ook aan de persoonlijkheid van de man, Roehm zoals hij genoemd wordt, een imposante, innemende figuur die steeds in wit hemd en zwart pak gekleed gaat en aan het hoofd van een paar medische laboratoria blijkt te staan.

Nadat Isobel Roehm mee naar huis heeft gebracht, maakt de man een afspraak met Toby. Hij wil de zoon van zijn geliefde beter leren kennen, zo zegt hij, en hij stelt voor elkaar te ontmoeten in een bar. Eens daar blijkt dit een notoire homotent te zijn waar Roehm bekend is als slecht geld. Toby weet niet wat hij ervan moet denken tot de man ook hem begint te versieren en hem meeneemt naar een van de duurste restaurants in Londen. Het zou een vriendelijk gebaar kunnen zijn naar de jongen toe, omdat deze maar al te goed beseft dat hij de vrouw waar hij het meest van houdt stilletjes aan het verliezen is. Maar misschien zit er ook meer achter, want hoe je het ook draait of keert, moeders nieuw lief hoor je niet op de mond te zoenen. Dat Roehm de tuinverlichting aansteekt, zodat Toby zeker ziet wat er gebeurt, alvorens de bijzonder lichamelijk ingestelde Isobel tegen een boom te nemen, kan als een illustratie van zijn macht verstaan worden, maar heimelijk ziet Toby er liever een pervers verleidingsmanoeuvre in.

MOEDER-ZOONBINDING

Aanvankelijk lijkt de relatie tussen Isobel en Roehm alleen maar gevolgen te hebben voor de moeder-zoonbinding. Isobel en Toby blijven samenwonen, maar hun verhouding verandert van onschuldig in incestueus. Roehm weet het tweetal zo op te geilen dat ze zonder enige gêne seks met elkaar hebben en dit de normaalste zaak van de wereld vinden. Het lijkt wel alsof ze getrouwd zijn en bij de lezer gaat er een (antiek) lichtje branden. Oké, Toby mag dan al geen moeilijke voeten hebben en met zijn ogen loopt er ook niets mis in het verdere verloop van deze roman, maar het feit dat hij zich constant afvraagt wie zijn vader is – een vraag die Isobel niet wil beantwoorden – en hij met zijn moeder naar bed gaat, doet wel verdacht veel aan Oedipus denken natuurlijk, en met dit oude Sophocles-verhaal komt een heel corpus mee.

Wie het werk van Duncker een beetje kent, weet dat zij een paar steeds weerkerende thema’s heeft: het ter discussie stellen van genderpatronen – ze is zelf lesbisch en in James Miranda Barry schreef ze over een succesrijke negentiende-eeuwse dokter die, zo ontdekte men tijdens een autopsie, een vrouw bleek te zijn -, de Franse filosofie van de jaren vijftig en zestig (de titel van haar debuut, De Foucault-hallucinatie spreekt voor zich) en psychoanalyse. Freud is in Dodelijke afstand steeds op de achtergrond aanwezig, niet alleen met Oedipus, maar ook met de analyse van de Wolfman die geen normaal seksleven kon leiden omdat hij volgens de Weense zielenknijper op zijn tweede getuige was geweest van de anale verkrachting van zijn moeder door zijn vader. Dat Roehm wel eens op die vader zou kunnen lijken, ligt voor de hand.

Net zoals nogal wat Franse deconstructiefilosofen wordt Patricia Duncker gefascineerd door de kracht van het menselijk verlangen. Het komt steeds terug in haar boeken: het verlangen is een destructieve, niet te stuiten kracht, en daar helpt geen redelijk lievemoederen aan. Ook in haar nieuwste roman komt dit idee sterk naar voren. Tijdens een gesprek over de Faustmythe als kern van de Duitse ziel stelt Roehm bijvoorbeeld: ‘We zijn bereid te worden verdoemd om onze verlangens. En wie zal het ons euvel duiden?’ En niet veel verder lezen we: ‘Verlangen is wat ons uittilt boven onszelf en ons veilige, oersaaie leven. Ons verlangen maakt ons groter dan we in werkelijkheid zijn.’ De Faust mag dan al insinueren dat er op het einde altijd verlossing en vergeving wacht voor het blindelings volgen van onze verlangens, en dat is een geruststellende gedachte, zo besluit de mysterieuze Roehm, maar met de realiteit klopt ze allerminst.

En dat zullen ook Isobel en Toby ondervinden. Hun liefdesobject blijkt bijzonder ongrijpbaar. Roehms Franse nummerplaat blijkt een vervalsing, een bankkaart bezit hij niet, de labels in zijn kleren verwijzen niet naar bestaande merken en zelfs zijn aftershave ruikt volstrekt uniek. Hoe enigmatischer de man wordt, hoe meer moeder en zoon naar hem gaan verlangen, tot ze er het leven bij dreigen in te schieten en het een kwestie van hij of zij wordt.

In een finale die zich afspeelt in de Alpen en die openlijk flirt met Mary Shelley’s Frankenstein – wat Dunckers boek zo stilaan tot een literair spiegelpaleis herleidt – komt het werkelijke thema van deze roman naar boven: ijs. Als een rode draad loopt dit woordje erdoorheen. Roehm komt met Isobel in contact doordat hij haar reusachtige, witte ijsschilderijen begint te verzamelen, de Wolfman ziet zijn vader met wolven door een sneeuwlandschap trekken en uiteindelijk is zelfs de hele wereld een ijstafereel. Wie opgroeit, verkilt, zo lijkt Duncker hier te willen zeggen, en Toby ziet zijn in het groen gelegen, knusse Engelse huis verwisseld door een pijnlijk wit Bodensee-hotel: ‘ Zum wilden Jäger was een vierkant, oranje pallazzo, pal aan de waterkant. Er was een tuin bij met in Italiaanse stijl aangelegde terrassen en fonteinen, allemaal bevroren tot winters ijs.’

Marnix Verplancke

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content