Op woensdag 25 augustus 1830 werd in het Théâtre Royal de La Monnaie in Brussel een opera opgevoerd, die aanleiding gaf tot een ernstig geval van cultuur-hooliganisme.

INFO : Volgende week: Septemberdagen in Brussel

De Stomme was geen ‘hij’ maar een ‘zij’: het is La muette de Portici. Portici ligt in Italië aan de voet van de Vesuvius. De componist die de muziek van deze opera schreef, heette Daniel Auber, en het libretto was van Eugène Scribe.

Daarmee zijn drie essentiële vragen over De stomme van Portici beantwoord. Vragen die zo triviaal zijn dat vele Belgen het antwoord erop schuldig moeten blijven, ook al kent het kleinste schoolgaande kind de naam van de opera die onze nationale geschiedenis mee op de rails heeft geduwd.

Portici is een middelgroot maar wat sjofel aandoend havenstadje in Campanië, dichtbij Napels. Het werd in 1631 verwoest door een uitbarsting van de Vesuvius. Vandaag herbergt het op zijn grondgebied een in Italië goed aangeschreven landbouwschool. Het telt met zijn randgemeenten erbij een goede vijftigduizend inwoners. Tot daar de encyclopedie.

Staf Nimmegeers, senator van de SP.A en dienaar van de Heer, ging er vorig jaar op bezoek, en stelde vast dat er behalve een rattenplaag niets te zien was. ‘Tenzij’, schreef Staf in De Standaard, ‘enkele plaatselijke jonge zwemmers, die Pier Paolo Pasolini geïnspireerd zouden kunnen hebben’. En Staf zelf vermoedelijk ook. Maar verder niets. Geen enkele verwijzing naar België. Geen vlag, geen monument, geen gedenksteen… niente. Zelfs geen Belgisch biertje. Het enige opbeurende wat Staf aantrof in Portici, was de trein terug naar Napels. En een stomme in het stationsbuffet, maar die beweerde niets met die van 1830 te maken te hebben.

‘Zeker niet met Portici jumeleren’, gaf de socialistische priester nog mee aan inventieve feestneuzen, die voor de viering van 175 jaar België misschien een al te origineel idee zouden kunnen opvatten. ‘En er niet op vakantie gaan. Trek liever naar Sri Lanka of Indonesië.’ Tot daar Staf, nu weer de Winkler Prins.

Parijs leidt de dans

Daniel François Auber werd geboren in Caen op 29 januari 1782 en overleed op 13 mei 1871 in Parijs. Hij schreef in totaal een vijftigtal opera’s, en stond met zijn La muette de Portici uit 1828 mee aan de wieg van de grote bloeiperiode van wat ze in Frankrijk ‘ le grand opéra‘ noemden. Voordien had hij al furore gemaakt met het eveneens politiek geïnspireerde Le maçon, een opéra comique zoals de titel al laat vermoeden. De geestige, en om den brode bijzonder bedrijvige, toneelschrijver Eugène Scribe was meestal zijn librettist. Voor La muette baseerde Scribe zich op een tekst van Germain Delavigne.

Andere bekende werken van Auber waren Haydée, Marco Spada, Fra Diavolo, en Le domino noir. In 1856 componeerde hij Manon Lescaut, naar een van de wereldberoemde novellen van de kleurrijke Franse monnik Abbé Antoine-François Prévost. Manon Lescaut zou later ook op muziek worden gezet door Jules Massenet, en vooral door Giacomo Puccini, die er zijn naam definitief mee vestigde. Niemand heeft ooit mooier Manon gezongen dan Maria Callas, al deed die dat enkel in een platenstudio.

Auber was naast componist ook directeur van het conservatorium in Parijs, en meester van de keizerlijke kapel van Napoleon III, die in 1848 tot president van de republiek was verkozen. En als dank voor de steun van zijn kiezers vier jaar later het keizerrijk in ere herstelde.

Le grand opéra was in het begin van de negentiende eeuw het Franse antwoord op de klassieke Italiaanse ‘ opera seria‘, en zou heel Europa veroveren. De Fransen stapten af van de flauwiteiten die de Italianen als scenario bedachten, en gingen historische en zelfs politieke onderwerpen in hun werk mengen. In het begin tot meerdere glorie van keizer of koning, later met meer revolutionaire inslag. Ze voerden ook een ballet in en behielden in hun verhaal wel een dosis romantiek, maar lieten die elke keer slecht aflopen. De held stierf, de pest brak uit, of de echtgenoot kwam op het verkeerde moment weer thuis. Allemaal zaken waarvan de Ita- lianen gruwden, maar die door het grote publiek best gesmaakt werden.

De founding fathers van de Franse grand opéra waren Giacomo Meyerbeer, nota bene een Duitser, en Fromental Halevy. En er was natuurlijk Gioacchino Rossini, die de sprong van het ene naar het andere genre maakte. Zijn beroemde Willem Tell is eerst in het Frans uitgebracht, en gaf mee de aanzet tot de ontwikkeling van le grand opéra.

In de negentiende eeuw was de opera een bloeiende podium-kunsttak, een van de enige met een minimum aan niveau ook. Vooral de lagere burgerij was er verzot op. Het was ook de gewoonte dat de toeschouwers hun instemming of hun afkeer luidkeels lieten blijken. Buiten op straat mocht dat niet, onder de strenge wetten van de Code Napoleon. Maar in het theater werden die uitbarstingen van emotie gekanaliseerd, zoals vandaag in het voetbal. Vooral vanaf de parterre werd er geroepen en getierd, en er was zelfs een eigen theaterwacht, een security service, die ervoor moest zorgen dat alles binnen de perken bleef. Wat niet altijd lukte. Zoals nu een volksopstand vanuit een voetbalstadion zou kunnen beginnen, was dat vroeger vanuit het theater. Zeker als de mensen opgezweept werden door een paar al dan niet bezoldigde agitatoren.

Prinses Elvira

Toen La muette de Portici in augustus 1830 werd opgevoerd, was de spanning tussen de Belgen en koning Willem I hoog opgelopen. De dure feestverlichting in het park van Brussel, ter ere van de op 24 augustus jarige koning, was door het Brusselse stadsbestuur persoonlijk uit de bomen gehaald, en andere feestelijkheden werden tot een minimum beperkt.

Ook La muette de Portici in het Théâtre Royal de La Monnaie, de Muntschouwburg dus, hoorde tot die festiviteiten. Maar de voorstelling verbieden, werd een grotere provocatie geacht dan ze te laten doorgaan, en zo schoven de avond van woensdag 25 augustus honderden opera- of vertierliefhebbers de zaal binnen. Het stuk speelde zich af in 1647, en ging over de opstand van de Napolitanen tegen de Spaanse bezetter.

We nemen nu samen met u, lezer, plaats op het balkon, en kijken toe. De eerste act speelt zich af in de tuin van de Spaanse hertog van Arcos, die een banket geeft omdat zijn zoon Alfonso in het huwelijk gaat treden met de Spaanse prinses Elvira. Dat is niet echt met de volle overtuiging van Alfonso, die eerder een korte maar stomende verhouding heeft gehad met een stom meisje, genaamd Fenella. Zij is de fameuze muette de Portici. In de voorstelling van 25 augustus 1830 wordt haar rol vertolkt door de danseres Marie-Pélagie Renard, beter bekend als Aimée Feltman of als Madame Benoni. Zij mag zich beperken tot dans en mime, want luidkeels meezingen met de anderen zou haar geloofwaardigheid als ‘stomme’ niet ten goede komen. Een originele vondst van Auber: een hoofdrolspeelster die niet mag zingen.

Let nu goed op, want zo dadelijk wordt het verward, zoals in opera gebruikelijk. Hoewel, George Bernard Shaw heeft ooit geschreven: ‘Alle opera’s zijn hetzelfde. De tenor begint een verhouding met de sopraan, en de bariton komt roet in het eten strooien.’

De in de steek gelaten Fenella komt door een toeval in contact met Elvira, de aanstaande bruid van Alfonso, en doet met gebarentaal haar beklag over wat haar is overkomen. Is dat slim of niet slim? Daarover kan men discussiëren. Feit is dat Elvira zich het lot van het bedrogen meisje aantrekt, Spaanse prinsessen zijn zo. Fenella wordt uitgenodigd op het huwelijk, herkent in Alfonso de schuinsmarcheerder die haar te pakken heeft genomen, en maakt dat ook aan Elvira duidelijk. Wat zou u zelf doen? Elvira verstoot Alfonso!

De echte Masaniello

Hier nemen wij even een pauze, want de spanning in de zaal begint al op te lopen: ‘A zue nen tricheur!’ Tweede bedrijf: we zijn nu in Portici, waar de vissers zich klaarmaken om de zee op te gaan. Bij hen Masaniello, Fenella’s broer, die zich zorgen maakt omdat hij zijn zuster al een paar weken niet meer gezien heeft. Ineens is ze daar (ze stond in de coulissen te wachten), vliegt haar broer om de hals, en legt molenwiekend uit wat haar is aangedaan. Zonder evenwel de naam van Alfonso te vermelden. Enerzijds omdat dat in gebarentaal niet zo gemakkelijk is, anderzijds uit schaamte en een verkeerd begrepen drang naar discretie. Voor Masaniello en zijn potige maats maakt dat overigens geen verschil, ze zullen die geile Spaanse bok, wie het ook weze, eens een les gaan leren. Naar Napels!

Masaniello heeft echt bestaan. Hij heette Tommaso Aniello, en was een rebellenleider die in juli 1647 korte tijd over Napels heerste, vooraleer daar schielijk te overlijden aan de gevolgen van een moord. Op hem. Nota bene door zijn eigen strijdmakkers, die vreesden dat hij krankzinnig was geworden en een gevaar voor hen zelf werd. Aniello leidde de opstand tegen de Spaanse overheerser, die in opdracht van koning Filips IV het rijke Napels leegplunderde, en de plaatselijke bevolking met torenhoge taksen het leven onmogelijk maakte. De echte Tommaso Aniello had ook een zus, die tot spijt van veel familieleden evenwel niet stom was. Maar wel wegens smokkel werd opgepakt door de troepen van de Spaanse onderkoning, wat tot de raid op Napels leidde.

Ook in de opera is Masaniello, meer nog dan de broer van de misbruikte zus, de leider van het oproer tegen de Spanjaarden. In de grand opéra worden die twee thema’s met opzet gemengd. Het is in de tweede act dat door Masaniello en zijn vriend Pietro dé aria der aria’s wordt gezongen:

Amour sacré de la Patrie

Rends nous l’audace et la fierté.

A mon pays je dois la vie,

Il me devra sa liberté.

Dat is de Brusselaars in de zaal recht naar het hart gezongen zie. ‘Amour sacré de la Patrie’ is ook de aanhef van een van de vele strofes van de Marseillaise. En ’tegen de Hollanders’ staat in Brussel gelijk met ‘voor de Fransen’. De hele zaal stemt dan ook in, en veegt met zijn decibels de professionele zangers van het podium: ‘Viva de libertait.’ Op de scène gaan ze verder:

Tombe le joug

Qui nous accable.

Que sous nos coups

Périsse l’étranger.

Weg met het juk dat ons onderdrukt, dat onder onze slagen de vreemdeling moge bezwijken. Zoiets moeten ze net tegen de Brusselaars zeggen. ‘A bas le fromage!’ klinkt het links en rechts vanuit het publiek.

Act drie. Pas op, er zijn er vijf in totaal, en in De Munt hebben de eersten nu al hun mouwen opgerold. De heer Fouchet, voornaam onbekend, is als Chinese vrijwilliger aangeduid om de weinig benijdenswaardige rol van Alfonso te spelen. Als hij zijn snuit nog laat zien op de scène, is de kans groter dat hij een pak slaag krijgt van een paar heetgebakerde toeschouwers, dan van de bende van Masaniello. Ontucht ja, laaghartigheid nee, ziedaar de ingesteldheid van de echte Brusselaar.

Act drie dus, wij bevinden ons te Napels en… Elvira schenkt Alfonso vergiffenis! Dat zouden vele lezeressen van Knack vertikken, maar Elvira was de kwaadste niet. En deed met die Fons geen slechte zaak. In de zaal zijn ze echter van een ander gedacht: ‘En da maske dén?’ Het scheelt niet veel of vanuit de goedkopere rijen wordt het eerste ‘hoerenjoenk’ richting podium verstuurd.

Een prinses voelt zoiets instinctief. En dus wil Elvira Fenella onder haar hoede nemen, en stuurt een officier uit het Spaanse leger eropuit om haar te gaan zoeken. Kapitein Selva vindt Fenella in Portici, krijgt het aan de stok met Masaniello en zijn maats, maar in die tijd moesten vissers nog buigen voor militairen, nu is dat andersom. Na een paar hevige woordenwisselingen begrijpen de vissers wel wiens tronie ze eigenlijk moeten vertimmeren: dat van Fons.

Hak zijn spel eraf!

Act vier. In De Munt doet zowel het verraad jegens het arme volksmeisje als de hautaine houding van de Spaanse edelen en militairen, de temperatuur gevaarlijk oplopen. Zelf levend onder de dwingelandij van de Hollanders, voelen de Brusselaars beter dan wie ook aan tot wat voor excessen de arrogantie van een bezetter kan leiden.

Op het podium zijn we nu in de woning van Masaniello, die zijn medeburgers van Portici tegen de Spanjaarden heeft opgeruid. En als mannen van de zee in opstand komen, dan is in tegenstelling tot wat men aan de kust zou verwachten de einder niet meer in zicht. In Napels vloeit het bloed met beken, zodanig dat Fons en Elvira op de vlucht slaan, in Portici terechtkomen, en… om onderdak bedelen bij Masaniello! De scenario’s van le grand opéra waren soms wat bij de haren gesleurd, maar dat kon niemand veel schelen.

Masaniello is ondertussen een beetje geschrokken van het oproer dat hij zelf heeft ontketend, en dat wreed moet zijn. We zien dat niet op het podium, maar in de zaal kunnen de meesten er zich wel wat bij voorstellen. En hun sympathie gaat allerminst uit naar de slachtoffers van het geweld, in casu de Spanjaarden. Integendeel, naar de smaak van de meeste Brusselaars zijn de Italianen te mild. En die Masaniello is een mietje. Want in de plaats van Fons en Elvira een kopje kleiner te maken, wie laat zo een kans liggen, helpt hij hen om met een boot te ontsnappen naar een kasteel op een rots!

In De Munt weten ze het niet meer. Op de scène nog min of meer, maar in de zaal zijn ze het spoor bijster: wat gebeurt daar allemaal? ‘Hak die Fons zijn spel eraf! Dat zal hem leren. En jaag alle Spanjaarden de zee in.’ De eerste stoelen vliegen door de lucht.

Uit de weg nu: act vijf. Er gaat gevochten worden. De rebellen hebben het paleis van de Spaanse hertog bezet, hebben Masaniello koning gemaakt, en houden een zuip- en schranspartij waarbij fijne manieren niet bepaald de eerste bekommernis zijn. Maar het Spaanse leger, al ze leven meesters in het voeren van achterhoedegevechten, geeft de moed niet op en valt het paleis opnieuw aan.

Plotseling is Elvira er ook weer. Waar ze vandaan komt mag Joost weten, maar terwijl de Porticianen aanstalten maken om zich eens flink aan haar te buiten te gaan, gooit Masaniello zich ter bescherming vóór de prinses, en wordt door zijn eigen mensen vermoord. Ja maar!

En dan gebeurt het ondenkbare! De ontroostbare Fenella, waar zij ineens van tevoorschijn komt is nog minder duidelijk, smeekt Elvira zich met Fons te verzoenen. En springt vervolgens uit het raam! En op hetzelfde moment barst de Vesuvius uit! Ongelooflijk.

Proletarisch oproer

Volgens sommige bronnen is het die fameuze avond in Brussel niet zo ver gekomen. Omdat de sfeer al na twee van de vijf bedrijven ronduit bedreigend was geworden, en oversloeg naar de hall en de trappen van het theater, waarop nog een massa zat die geen kaartje had kunnen bemachtigen, had de theaterwacht de opvoering na de vierde act stopgezet. Wat vanzelfsprekend niet bevorderlijk was voor het kalmeren van de gemoederen.

Er werd getierd en geschreeuwd, er werd met vanalles gegooid, en toen de zaal leegstroomde en zich vermengde met de al flink aangeschoten mensen die buiten hadden gestaan, ontstond binnen de kortste keren een echte meute van hooligans avant la lettre. Die haakte zich vast in het al weken sluimerende verzet tegen het Oranje bestuur en de schrijnende sociale wantoestanden.

Zeggen dat La muette de Portici de vonk was die de brand van de Belgische revolutie deed uitslaan, zoals generaties onderwijzers in de lagere school hebben gedaan, is de historische waarheid geweld aandoen. Maar het was wel een belangrijk druppeltje in de al flink gevulde emmer ongenoegen tegen de vreemde bezetter. U leest hierover in andere hoofdstukken van deze boeiende serie, maar wij mogen u nu al verklappen dat het slecht gaat aflopen voor de Hollanders.

Door Koen Meulenaere

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content