De man die al even dood was

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

De biografie van Marnix Gijsen had een afrekening kunnen zijn met een niet zo aardige man. Bert Govaerts zet hem echter neer als een mens van vlees en bloed.

Een schrijver die te vroeg sterft is een tragedie, maar hoe noem je er een die te lang leeft? Dat is wat je je na het lezen van Bert Govaerts’ knappe biografie van Marnix Gijsen afvraagt. Misschien had de schrijver van klassiekers als Het boek van Joachim van Babylon en Klaaglied om Agnes net na zijn zestigste verjaardag moeten sterven, toen hij Patrice Lumumba nog geen Afrikaanse Hitler had genoemd of de lof had gezongen van de apartheid. Op de Belgische ambassade in Den Haag kreeg hij voor die verjaardag een diepgele tulp naar zich genoemd, terwijl Ernest Claes, Felix Timmermans en Stijn Streuvels nooit verder waren geraakt dan een dahlia. Ja, dat was een mooi moment geweest, maar hij ging nog een kwarteeuw door.

Al wat ‘k gedaan heb, heb ik goed gedaan, behalve leven.

Govaerts, tot 2015 maker van historische documentaires voor de VRT en biograaf van Ernest Claes en politicus Albert de Vleeschauwer, gaf zijn biografie de titel Dubbelman. Achter de naar de familienaam van zijn moeder verwijzende nom de plume ‘Marnix Gijsen’ ging namelijk nog een heel andere man schuil: Jan-Albert Goris, ambtenaar en diplomaat. De ene debuteerde in 1920 met het opzienbarende en aan Paul van Ostaijen schatplichtige lange gedicht Lof-Litanie van de H. Franciscus van Assisië, waarin hij de dierenvriend ‘een handgranaat van rechtvaardigheid’ noemde, gezegend met ‘een stem als een autosirene’. De andere schopte het in de jaren 1930 tot kabinetschef van minister Philip van Isacker in de twee regeringen van Paul van Zeeland. Govaerts laat de twee elkaar ontmoeten in New York, waar Goris/Gijsen 26 jaar woonde, zijn bekendste boeken schreef, het Belgian Information Center leidde en zijn wekelijkse radiopraatje De stem uit Amerika verzorgde. ‘Er is wellicht geen andere Europeaan die Amerika zo goed kent als hij’, schreef Newsweek.

Govaerts beseft dat de meester zich toont in de beperking. Hij voert niet meer personages op dan nodig, maar neemt wel de tijd om ze uit te diepen. Hij plaatst Gijsen in zijn veranderende tijd, van de vroege taalstrijd tot het einde van de Congolese kolonisatie in 1960, en legt verbanden tussen het literaire werk en het privéleven. Joachim ging over het afscheid van zijn geloof en zijn huwelijk leren we, en Agnes was zijn aan tbc gestorven eerste grote liefde, Mit Rooman.

Dubbelman had een afrekening kunnen zijn. Marnix Gijsen was nu eenmaal een hooghartig man. Als schrijver was hij al een tijdje dood toen hij in 1984 ook echt stierf. De lange lappen hoofdzakelijk autobiografische tekst waarin hij zijn personages als marionetten door ongeloofwaardige plotwendingen liet marcheren, waren toen al lang uit de mode. Dat hij zijn vriend Gerard Walschap zonder enige gêne een baantje als lesgever afsnoepte, zegt ook veel over zijn karakter. Govaerts vermeldt het allemaal, maar hij toont ook een andere Gijsen: de twijfelende en kwetsbare. De man die, voor hij zijn flat uitging voor een dagenlange zuippartij, een briefje op de keukentafel achterliet: ‘Al wat ‘k gedaan heb, heb ik goed gedaan, behalve leven.’

Bert Govaerts, Dubbelman, Een biografie van Marnix Gijsen & Jan-Albert Goris 1899-1984, Houtekiet, 390 blz., 29,99 euro.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content