Het Europees Parlement zette vorige week zijn tanden in het dossier ?Televisie zonder grenzen.” De commerciële stations waren woedend. ?Ze roepen ons uit tot zondebok.”

EEN BERICHT UIT STRAATSBURG

DE KREET DAT het Europees Parlement een overbodig, want machteloos parlement zou zijn, strookt sinds het Verdrag van Maastricht niet langer met de waarheid. Het parlement beschikt nu over bevoegdheden, waardoor het zich in sommige dossiers als incontournable kan opstellen. Uitgerekend de vierde macht in het algemeen en het dominante medium van de jaren negentig in het bijzonder, genoten het genoegen om als eersten te worden geconfronteerd met de nieuwe prerogatieven van de Europese volksvertegenwoordiging. Vorige week zette het parlement in Straatsburg zijn tanden in het geladen dossier dat de naam ?Televisie zonder grenzen” meekreeg. Op tal van punten verscherpte en radicaliseerde het parlement het voorstel van de Europese Commissie. Uitschieters vormden de beslissingen dat de Europese tv-stations minstens de helft van de zendtijd aan Europese programma’s moeten besteden, dat ze de televerkoop en de reclametijd moeten beperken, en dat er een chip tegen geweld en porno in de tv-toestellen wordt ingebouwd. Nieuw is ook en vooral voor Vlaanderen en VT4 belangrijk dat het land van ontvangst de uitzendingen moet kunnen controleren. Als het parlement zijn zin krijgt, geraakt VT4 straks, ondanks zijn Britse licentie, onder Vlaams toezicht.

Zover is het nog niet, want zowel de Europese Commissie als de Raad van Ministers zijn nog niet uitgepraat. Ze krijgen nog ruimschoots de kans om het parlement tot andere gedachten te bewegen en voor minder radicale standpunten te winnen. Het parlement beslist deze keer echter mee en beschikt in feite over een vetorecht. In tegenstelling tot vele andere dossiers, kunnen de regeringen hun beslissing niet unilateraal opleggen. De lobbyisten van de commerciële tv-stations die met veel volk de debatten en de stemming volgden, toonden zich na afloop verre van enthousiast. De Italiaan Jan Mojto, voorzitter van de Europese commerciële tv-stations (ACT), reageerde zelfs bijzonder ontstemd. ?We zullen er alles aan doen om een gunstiger regelgeving te forceren. Wat nu op tafel ligt, zou dramatische gevolgen hebben voor de commerciële omroepen. Ik ben ervan overtuigd dat de rede uiteindelijk zal overwinnen.”

ZONDEBOK.

ACT werd in 1989 opgericht en vertegenwoordigt 24 van de grootste Europese commerciële omroepen ; met uitzondering van het Franse TF1 zijn zowat alle bekende zenders er lid van. De Italianen in de eerste plaats, met het Fininvest van Silvio Berlusconi, Telepiu en Beta tv, maar ook diverse Duitse zenders, het Britse ITV, het Luxemburgse CLT en het Vlaamse VTM. Ook VT4 behoort niet tot de club. ?Er werd in het parlement vooral emotioneel gereageerd,” vond Mojto. ?Ze riepen ons hier uit tot zondebok. Het leek er haast op alsof de televisie de oorzaak is van alle kwaad in de samenleving, en dringend een lesje moest krijgen. In tegenstelling tot wat men voorhoudt, ligt het probleem echter niet bij de televisie, wel bij de filmindustrie.” ACT denkt in elk geval niet aan ontwapenen. Terwijl het de vorige maanden vooral de Europese parlementsleden bewerkte, zal het nu de regeringen, in casu de ministers van Cultuur, benaderen. Het heeft er de middelen en de mensen voor, de stemming in het parlement gold slechts als een tussenstation. De definitieve stemming volgt pas over enkele maanden als de cultuurministers hun standpunt hebben bepaald.

Al meer dan tien jaar sleutelt Europa aan ?Televisie zonder grenzen.” In 1986 diende de Commissie een eerste voorstel voor een richtlijn in, na jarenlang onderhandelen met parlement en ministers werd die op 3 oktober 1989 operationeel. Na vijf jaar is die richtlijn aan herziening toe, aangezien ze op diverse punten niet meer voldoet aan de nieuwe ontwikkelingen in de audiovisuele sector. Daarbovenop bleek het absoluut nodig om een einde te maken aan de verschillende en niet zelden tegenstrijdige interpretaties, die grote juridische onzekerheid genereerden. Vooral de vaststelling van de plaats van vestiging van sommige tv-zenders inspireerde tot controverses. Volgens artikel 2 van de richtlijn is een tv-station alleen onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar het gelokalizeerd is. Als over dat laatste punt onduidelijkheid of betwisting bestaat, dreigt bijgevolg een bevoegdheidsvacuüm of een overlapping van nationale bevoegdheden. In een nieuw ontwerp van 22 maart 1995 stelt de Europese Commissie voor dat de plaats van vestiging van de omroeporganisatie het doorslaggevende criterium is om te bepalen welke lidstaat bevoegd is. Om alle misverstanden uit te weg te ruimen, wordt het begrip vestigingsplaats verduidelijkt. De programmaroosters moeten er opgesteld worden en ook moeten de maatschappelijke zetel en de centrale regelkamer er zich bevinden.

Het parlement kantte zich daar niet tegen, maar preciseerde de omschrijving van de vestigingsplaats. De meerderheid van de personeelsleden van het tv-station moet er werkzaam zijn en ?de programma’s zijn minstens voor die lidstaat bestemd.” Deze laatste toevoeging kwam er op vraag van het Vlaams parlementslid Philippe De Coene (SP) en viseert vooral VT4. Als de Europese Commissie en de ministers van Cultuur het amendement overnemen, moet VT4 zich aan de Vlaamse decreten conformeren. Zelfs als het station met al zijn personeel en apparatuur naar Londen zou uitwijken, kan het zich dan niet aan de Vlaamse autoriteit onttrekken. In het begin leek het erop dat het voorstel-De Coene alleen maar de auteur engageerde. Maar gaandeweg bleek dat de overgrote meerderheid van het parlement hem volgt. Het amendement kreeg 309 stemmen of bijna de absolute meerderheid (314 stemmen). Diverse andere dan de socialistische fracties spaarden hun steun niet. Onder meer de Vlaamse christen-demokraten schaarden zich uiteindelijk achter het voorstel van De Coene. De opmerkelijke hoge score verplicht de cultuurministers en de Europese Commissie bijna om het voorstel van De Coene te slikken.

KEURSLIJF.

Voor De Coene en de meeste van zijn socialistische fractiegenoten speelt het parlement momenteel een belangrijke match. ?De jongste maanden en weken werd ik bijna dagelijks door lobbyisten en vertegenwoordigers van de commerciële televisies aangesproken. Er staat duidelijk veel op het spel voor hen. Maar ook voor ons is de inzet groot. In feite gaat het om de vraag of alleen de markt en de commerciële groepen beslissen wat er op het scherm komt en welke Europese producties in de toekomst nog een kans krijgen.”

De linkerzijde, daarin meestal gesteund door de groenen, wil bindende quota voor de Europese producties en een strikte regelgeving voor de nieuwe tv-diensten, zoals video-op-aanvraag, betaal-tv en televerkoop. Christen-demokraten en liberalen volgden hen doorgaans niet. Hoewel die twee fracties dikwijls verdeeld stemden, is een meerderheid allergisch voor een starre reglementering die de nieuwe mediaontwikkeling dreigt af te remmen en de Europese industrie een enorme handicap tegenover de concurrentie kan bezorgen.

De Nederlandse Jessica Larive (VVD) koos op bijna alle punten de chip uitgezonderd voor de tegenaanval. ?Het parlement maakt geen goed gebruik van zijn macht. Het wil stoer doen en zich laten gelden. Ik ben tegen al die strenge regels en verplichtingen. Geef de nieuwe tv-diensten lucht, licht en ruimte en verstik ze niet in een keurslijf van wetten. Het kan alleen de werkgelegenheid en de innovaties ten goede komen. Ook het verbod op reclame voor kinderen onder de twaalf jaar is onzin. Kinderen zijn geen kasplantjes. Als ze twee tot drie keer hun zakgeld verspillen, is de kans groot dat ze later critische consumenten worden. Ik vind het uitermate belangrijk dat de Europese producties gestimuleerd worden, maar verplichte quota hoeven voor mij niet. Ze staan haaks op de keuzevrijheid en grendelen het fortress Europe af.”

De richtlijn van 1989 al wilde de Europese beeldindustrie een steuntje geven. ?De omroepen,” zo bepaalde artikel 4, ?moesten het grootste deel van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame of teletekst gewijde zendtijd voor Europese producties reserveren.” De lidstaten moesten er voor zover mogelijk op toezien dat die doelstelling werd gerealiseerd. Ondanks de voorzichtige en de weinig dwingende formulering, schreef de commissie in haar evaluatierapport van vorig jaar dat de resultaten behoorlijk waren : meer dan 66 procent van de tv-stations hield zich aan de voorgeschreven norm.” Toch wil de commissie in de toekomst een striktere bepaling, waarbij de clausule voor zover mogelijk verdwijnt. Het parlement sluit zich daarbij aan en wenst voorts dat studio-uitzendingen (praatshows en debatten) niet in aanmerking komen bij de berekening van de 51 procent Europese producties.

Vooral de Fransen toonden zich hier onverzettelijk en onder impuls van de voormalige minister van Cultuur Jacques Lang werden grote namen uit de filmwereld zoals Ettore Scola, John MacGrath, Costa-Gavras en Giuseppe Tornatore gemobiliseerd. Ze moesten het parlement de harde quotaregeling aanpraten. Allemaal wezen ze op de crisis van de Europese filmindustrie, die bezweek in de concurrentieslag met Amerika. Tornatore, zopas genomineerd voor ?Nuovo Cinema Paradiso” : ?Wie van films houdt, houdt ook van Amerikaanse films. Het gevaar is echter reëel dat het goedkoop dumpen van de VS-producties in Europa, de eigen industrie ten gronde richt. Filmmakers zijn nu 95 procent van hun tijd kwijt aan het vinden van investeerders, verdelers en producenten. Dat er in Italië ieder jaar nog één of twee goede films uitkomen, mag een wonder heten.”

Net zoals met de beperkingen van de reclametijd, zullen vele regeringen de quotaregeling van het parlement willen afzwakken, zoniet compleet uithollen. De kans dat ze daarin slagen is groot, want het parlement vormt hier geen gesloten front. De chip die geweld en porno van het scherm kan weren en verplicht in de tv-toestellen moet worden geïntegreerd komt er daarentegen vrijwel zeker. Het parlement voelt er zich in grote meerderheid voor gewonnen, de omroepen tekenen niet echt bezwaren aan en in de Verenigde Staten zette president Bill Clinton zopas zijn handtekening onder een soortgelijk wetsontwerp gezet. In de praktijk zullen alle films een code meekrijgen, waarop de chip reageert. Voor de ouders lost dat vele problemen op, maar niet voor de filmmakers. Historische films, met al hun veldslagen en oorlogstoestanden, lopen het risico door de chip te worden gewraakt, wegens te gewelddadig.

Paul Goossens

De Franse cultuurminister Jack Lang (in het midden) vindt bondgenoten in de Italiaanse filmdirecteurs Giuseppe Tornatore (rechts) en Ettore Scola (links) : de Europese film riep om hulp.

Philippe De Coene : mee beslissen wat op het scherm komt.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content