De rol van de overheid inzake Cultuur
vrijdag 12 september 2008 om 14u00

De rol van de overheid inzake Cultuur
Heel vaak wordt gesteld dat het cultuurbeleid zich wel of niet moet bezig houden met dit of dat. Alleen wordt discussie over wat dan wel een uitdrukkelijk voorwerp moet zijn van beleid herleid tot een gevoelsmatige kwestie.
Meestal is een duidelijk antwoord ver te zoeken. Sommige mensen vinden dat de overheid zich alleen moet bezig houden met activiteiten of manifestaties die veel mensen bereiken, anderen vinden daarentegen dat de overheid zich geen snars moet aantrekken van kijk- of participatiecijfers, maar alleen voor kwaliteit moet gaan, nog anderen leggen de hoofdaandacht voor het overheidsoptreden bij wat vernieuwend, marginaal of kwetsbaar is.
In het bijhorende assenkruis doe ik een poging om deze discussie schematisch en systematisch uit te klaren.
Daarbij ga ik uiteraard ook uit van een aantal premissen:
- in het cultuurbeleid houden we ons alleen bezig met wat kwaliteitsvol of maatschappelijk zinvol is;
- wat niet-zelfbedruipend is draagt de prioritaire aandacht weg.
Wat het eerste streepje betreft: de begrippen 'kwaliteit' en 'maatschappelijk zinvol' zijn niet waardevrij. Kwaliteit staat voor wat we 'goed' vinden, en dat is uiteraard een subjectieve categorie. De kwaliteitsladder is voorwerp van een permanente discussie over smaak en voorkeur. Toch mogen we stellen dat er een soort algemene consensus bestaat over wat goed en slecht is. Muziek van Mozart bijvoorbeeld wordt hoog gewaardeerd, en over de kwaliteit van de uitvoering heerst onder kenners globale eensgezindheid. Hoe ouder het cultureel goed, hoe groter de consensus, hoe recenter gecreëerd, hoe meer omstreden. De tijd bepaalt het kwaliteitsoordeel en legt standaarden vast. Hedendaagse kunst is altijd voorwerp van hevige strijd. Maar dat was toenertijd niet anders voor Bach, Picasso of Boon.
Ook over de maatschappelijke zinvolheid kan je oeverloos emmeren. Die term is nochtans noodzakelijk om in die segmenten van het cultuurbeleid die niet over de kunsten gaan, o.a. het sociaal-cultureel werk en grote delen van het erfgoed, een onderscheid te kunnen aanbrengen. Vinden we het verenigingsleven maatschappelijk zinvol, de volkscultuur, museumcollecties? Welke delen of aspecten ervan vinden we onmisbaar of noodzakelijk? Dat is natuurlijk evenmin waardevrij.
Het tweede streepje legt een accent op die vormen en uitingen van cultuur die niet zelfbedruipend zijn. Deze term is echter misleidend. Zelfbedruipend betekent hier door veel mensen gewild, die daarenboven bereid zijn de prijs hiervoor te betalen. Veel commerciële cultuur valt hieronder. Zo is de muziek van pakweg U2, Madonna of Helmut Lotti zo gegeerd dat tal van mensen, naast de artiest zelf, er hun brood mee verdienen. Daar komt geen overheidsoptreden, in de zin van subsidiëring, aan te pas. Als de overheid tussenkomt, is dat eerder om een aantal randvoorwaarden of spelregels te bepalen, zoals de auteursrechtelijke bescherming, het sociaal statuut e.d.m.
Meestal is dit trouwens geen deel van het cultuurbeleid, maar van een sociaal of economisch beleid. De commerciële culturele markt is trouwens groeiende: film en cinema, musical, theater, CD-verkoop, boekhandel enz.
Het feit of een cultureel product al dan niet zelfbedruipend is, zegt niets over de kwaliteit of de maatschappelijke zinvolheid. Je hebt schitterende dingen die leefbaar zijn zonder overheidsinbreng, naast de grootste rotzooi. Hier spelen immers geen kwalitatieve criteria, maar economische.
De aandacht van het cultuurbeleid moet gericht zijn op bepaalde delen. We kunnen het er ongetwijfeld over eens zijn dat we alleen geïnteresseerd zijn in wat goed of maatschappelijk zin is. We moeten mindere of slechte kwaliteit niet promoten, noch de productie ervan, evenmin de consumptie of de participatie eraan. De onderzijde van het assenkruis valt buiten het aandachtsveld. Van de bovenkant zijn we wel in alles geïnteresseerd, maar prioritair in datgene wat niet autofinancierend is. Immers de vrije markt zal automatisch al dat opnemen dat rendabel is of kan zijn. We moeten geen beleidsinspanningen doen om de spreiding van de muziek van U2, Sting, of films als the Godfather, boeken van Jef Geeraerts enz. te bevorderen. Dat doet de markt zelf wel.
We moeten als overheid vooral interveniëren om de niet rendabele zaken te laten creëren of te bewaren of te spreiden. Dat is een belangrijk deel van het aanbod, maar eigenlijk niet het grootste deel. Het wordt geregeld in tal van decreten en reglementen: voor de podiumkunsten, de orkesten, het sociaal-cultureel werk, de beeldende kunst, de musea enz... De overheid treedt hier op als regulator om een breed en kwaliteitsvol aanbod mogelijk te maken. Zonder dit overheidsoptreden zou het veld danig verschralen en uitdrogen. Beeld je een cultuuraanbod in zonder gesubsidieerd toneel, zonder dans, zonder symfonische orkesten, zonder SMAK of KMSKA, zonder bibliotheken of cultuurcentra enz... want de meeste van deze uitingen of voorzieningen kunnen niet of nauwelijks overleven zonder overheidssteun. De overheidssteun garandeert de rijkdom van het aanbod.
De overheid is dus verantwoordelijk voor de rechter bovenzijde, nauwelijks één vierde van dit schema. Dit deel is gearceerd. De pijl verwijst naar de toenemende aandacht van het cultuurbeleid. De grootste aandacht gaat dus naar die cultuurvormen en -uitingen die zich ophouden nabij de pijlpunt.
De overheden - het gaat om alle overheden, van de gemeente, de provincie, de Vlaamse Gemeenschap, de federale staat tot Europa - interfereren op verschillende wijzen. Meestal door de creatie rechtstreeks te steunen, in casu de kunstenaar of het gezelschap, maar vaak ook door gepaste randvoorwaarden te creëren, waarin kunstenaars of organisaties kunnen werken. Denk hierbij vooral aan infrastructuur voor creatie of spreiding of aan gemeenschapslokalen voor het sociaal-cultureel werk. Maar ook auteursrechtelijke regelingen, Europese richtlijnen over bijv. vrij verkeer, fiscaliteit, arbeidsvoorwaarden, e.d. zijn vaak bepalende randvoorwaarden.
Het overheidsoptreden kan echter niet risicoloos zijn. Je moet immers investeren in nieuwe ontwikkelingen en die zijn niets steeds onomstreden. Dat je over de kwaliteit van de huidige kunstcreatie nog geen finale uitspraak kan doen, is op zich niet erg. Een cultuurbeleid moet er net voor zorgen dat kunst en cultuur zich permanent kan vernieuwen. Kunstenaars moeten op het risico in de vergetelheid te raken, of met kans op doorbraak, kansen krijgen. Dat is een centrale opdracht van het cultuurbeleid. De tijd filtert de rommel weg en consacreert de kwaliteitsvolle creatie. Soms worden bepaalde gesubsidieerde kunstuitingen na een tijd zelfbedruipend en behoeven ze geen overheidsinbreng.
In de popmuziek, in de beeldende kunst of het boekbedrijf zien we vaak een doorstroom. Dat is goed, de markt neemt over nadat de overheid de eerste kansen geboden heeft.
Vandaar dat er op het assenkruis ook enkele gearceerde velden zijn. Deze bevinden zich daar waar het kwaliteitsoordeel nog niet duidelijk is of de financiële draagkracht nog onzeker is. Daar investeert een dynamisch cultuurbeleid in om nieuwe zaken kansen te geven om door te groeien of te verdwijnen, of om een breed aanbod te garanderen ...
Uit deze benadering kan je derhalve concluderen dat een cultuurbeleid, vanuit een bekommernis om een rijk aanbod, een brede participatie, gemeenschapsvormende effecten, en interculturaliteit (doelstellingen uit het cultuurbeleid) bezig moet zijn met kwaliteitsvolle cultuur of kwaliteitsbevordering van cultuurcreatie, -bewaring en spreiding, en cultuuruitingen die niet zelfbedruipend zijn, daarbij een accent leggend op hedendaagse uitingen.
Reageer
Opgelet: Het is niet mogelijk om anoniem te reageren. Uw loginnaam zal bovenaan uw reactie verschijnen.
Om een reactie te plaatsen, dien je geregistreerd te zijn:













