John Maes
Opinie

28/02/13 om 07:31 - Bijgewerkt om 07:31

Zin en onzin van straf

Het heeft geen zin om te denken dat men alleen maar door het bijbouwen van gevangenissen de problemen inzake strafuitvoering zal oplossen.

Kim De Gelder zal niet meer vrijkomen, dat is een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Slechts enkele gedetineerden in ons land kunnen nooit meer terug in onze samenleving worden opgenomen, alle overige opgesloten personen zullen ooit de gevangenisdeur achter zich dichtslaan.

De vraag die we ons te weinig stellen is hoe onze samenleving omgaat met deze realiteit, vermits opsluiten alleen vanzelfsprekend niet volstaat.

Op 19 december 2011 werd de Algemene Beleidsnota Justitie door de huidige minister in de Kamer voorgesteld. Wat de strafuitvoering betreft lezen we: "De straffen zullen meer gediversifieerd worden. Er zullen nieuwe autonome straffen komen, zoals elektronisch toezicht, vermogenssanctie, probatie ... Eenmaal opgelegd moet de straf efficiënt en coherent worden uitgevoerd. De hechtenisomstandigheden zullen in overeenstemming worden gebracht met de menselijke waardigheid. De klemtoon zal op de re-integratie van de veroordeelde worden gelegd."

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat van deze plannen nog niets is gerealiseerd. De reactie van onze beleidsmakers na de invrijheidstelling van Michele Martin doet in dat kader weinig goeds verhopen. Het enige waar onze minister vandaag mee uitpakt is haar voorstel om lang gestraften nog langer in de gevangenis te houden. Het bestaande wettelijk kader oogt nochtans zeer mooi.

Er is de wet van 17 mei 2006 waarbij de strafuitvoeringsrechtbanken in het leven werden geroepen en er is de wet Dupont van 12 januari 2005 die stelt dat het verblijf in de gevangenis moet beantwoorden aan belangrijke criteria inzake menswaardigheid. De feitelijke realiteit anno 2013 is echter geen weerspiegeling van deze wettelijke realiteit.

Ingevolge een volstrekt gebrek aan middelen, worden de strafuitvoeringsrechtbanken enkel ingeschakeld voor straffen boven de 3 jaar. Het gevolg hiervan is dat voor straffen tot 3 jaar alles bij het oude blijft en de uitvoering van deze straffen geregeld wordt door een ministeriële omzendbrief. In de praktijk betekent dit dat zij die zich voor een dergelijke (soms zware) straf moeten aanbieden aan de gevangenispoort, deze enkele uren later opnieuw achter zich kunnen sluiten op basis van een beslissing van de gevangenisdirecteur tot toekenning van elektronisch toezicht. De impact van het onderscheid in de strafuitvoering tussen straffen onder en boven de 3 jaar is enorm. Straffen onder de 3 jaar vormen immers ongeveer 85 procent van alle veroordelingen, zodat we vandaag moeten vaststellen dat een wet die meer dan 6 jaar geleden van kracht werd, slechts toegepast wordt op 15 procent van de straffen.

En wat dan met die 15 procent ... Zij komen terecht in een systeem waarbij zij hun reclassering zullen moeten voorbereiden. Zij zullen vanuit de gevangenis een woonst moeten zoeken en werk moeten vinden. Zij zullen onderworpen worden aan een screening door de psychosociale dienst van de gevangenis, die voor veel te veel mensen veel te veel rapporten moet klaarstomen. De cijfers liegen niet.

De termijn die bovenop de datum van toelaatbaarheid voor voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt uitgezeten is doorheen de tijd alleen maar toegenomen. Meer nog, de invrijheidstelling bij strafeinde wint opnieuw aan betekenis: in 2011 werden 781 mensen voorwaardelijk in vrijheid gesteld, 620 mensen zaten hun volledige straf uit. Uit deze cijfers blijkt dus dat van die 15 procent waarop de wet inzake de strafuitvoeringsrechtbanken wel van toepassing is, slechts iets meer dan de helft werkelijk onder het controlesysteem van voorwaardelijke invrijheidstelling terechtkomt.

Behoeft dit verwondering? Is het geen contradictio in terminis om te werken met een gevangenissysteem dat uitgaat van eenzame opsluiting om tegelijkertijd te verwachten dat deze mensen hun vrijheid voorbereiden en in staat zijn om opnieuw op een normale wijze in een maatschappij te functioneren na deze opsluiting?

Een hedendaagse gevangenis moet daarom in de eerste plaats beantwoorden aan de principes van de Wet Dupont en niet aan de principes van aannemers en architecten. In het laatste geval riskeren gevangenissen mensenmagazijnen te worden waar gedetineerden 24 uur op 24 uur met hoogtechnologische apparatuur gecontroleerd worden, en waar reclassering van ondergeschikt belang is. In een dergelijke gevangenis zal het aantal mensen zal het aantal mensen dat hun volledige straf zal uitzitten en zonder verdere opvolging vrijkomt, alleen maar toenemen.

Het heeft dus geen zin om te denken dat men alleen maar door het bijbouwen van gevangenissen de problemen inzake strafuitvoering zal oplossen.

Een gevangenisontwerp dient dan niet alleen uit te gaan van het louter repressieve karakter van de gevangenisstraf, doch moet ook rekening houden met de mogelijkheid tot re-integratie, normalisering, herstel en beperking detentieschade.
In Noorwegen en Denemarken doet men dit al veel langer, waarbij kleinschaligheid in geïndividualiseerde leefgroepen en geleidelijke opname in de maatschappij het terechte uitgangspunt is.

In april 2012 werd ons land vergast op het 6e bezoek van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT), het rapport was (opnieuw) terecht scherp. Het wordt dan ook hoog tijd dat de beleidsmakers van ons land beseffen dat strafuitvoering in al haar facetten de hoogste prioriteit moet krijgen. De niet (menswaardige) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf heeft een onmiskenbaar negatieve impact op de ganse strafprocedure en bij uitbreiding op de rechtsstaat.

Politici moeten aan de bevolking durven uitleggen wat de zin en de onzin is van een straf en op welke wijze onze maatschappij met gedetineerden moet omgaan. In een aantal ons omringende landen heeft men het wel aangedurfd om het één en ander in vraag te stellen en oplossingen te zoeken die verder gaan dan alleen maar het bouwen van muren. Vereist is een denktank bestaande uit specialisten van elke betrokken groep, om aldus een ernstig plan op lange termijn te ontwikkelen en hiervoor de nodige fondsen vrij te maken, veeleer dan de steekvlampolitiek waar we vandaag om de haverklap mee geconfronteerd worden.

John Maes

Onze partners