Dirk Draulans
Dirk Draulans
Redacteur bij Knack
Opinie

08/12/11 om 14:34 - Bijgewerkt om 14:34

Wetenschap was vroeger minder competitief dan nu

De jongste tien jaar haalden opvallende gevallen van wetenschappelijke fraude het wereldnieuws. Die leiden tot scherpe commentaren in de editorialen van de meest gerespecteerde vakbladen ter wereld.

Wetenschap was vroeger minder competitief dan nu

© Reuters

Wetenschappelijke fraude beroert de gemoederen. Het schokt de goegemeente. Het leidt tot scherpe commentaren in de editorialen van de meest gerespecteerde vakbladen ter wereld. Het resulteert in onderzoekscommissies en officiële klachten van academische en andere instanties.

In feite is dat goed nieuws. Het illustreert dat wetenschappelijke fraude niet als evident wordt beschouwd, in tegenstelling tot sectoren als de politiek en de economie waarvoor de overtuiging groeit dat manipulatie en zakkenvullerij inherent onderdeel van het systeem zijn. Maar het kan wetenschappelijke fraudeurs ook stimuleren om te doen wat ze menen te moeten doen: gegevens afschrijven, vervalsen of zelfs volledig verzinnen om indruk te maken met sterke conclusies en daardoor gemakkelijker toegang te krijgen tot financiële middelen.

De jongste tien jaar haalden opvallende gevallen van wetenschappelijke fraude het wereldnieuws. De Duitse fysicus Jan-Hendrik Schön, de Zuid-Koreaanse dierenarts Woo-Suk Hwang, de naar de Verenigde Staten uitgeweken Belgische bioloog Luk Van Parijs, onlangs de Nederlandse toppsycholoog Diederik Stapel: allemaal dienden ze toe te geven dat ze hun loopbaan in een stroomversnelling hadden willen gooien door niet te wachten tot ze met meticuleus speurwerk verantwoorde onderzoeksgegevens hadden verzameld. Meestal reageerden ze aanvankelijk gelaten en met schuldbesef op hun ontmaskering. Achteraf stuikten ze in een depressie en verdwenen ze van het toneel. Hun reacties verschilden in de details. Schön vocht het verlies van zijn doctorstitel aan, Stapel gaf hem spontaan terug.

De wetenschappelijke wereld buigt zich over de oorzaak van de opvallende toename van het aantal ontdekte fraudegevallen. De groeiende aandacht voor de problematiek zal er wel een rol in spelen, naast de kwestie dat het wat makkelijker wordt om klokkenluider te spelen. Maar er is ook het feit dat onderzoekers in een aantal disciplines (onder meer de psychologie) steeds minder geneigd zijn hun gegevens met elkaar te delen. De druk van de competitie kan ondraaglijk groot worden. De wetenschappelijke wereld kan dodelijk zijn als je er mentaal en karakterieel niet tegen bestand bent.

Hoe anders moet het vroeger geweest zijn! Charles Darwin schrok zich destijds ongetwijfeld lam toen hij een brief kreeg waaruit bleek dat iemand anders onafhankelijk van hem op hetzelfde spoor van evolutie door natuurlijke selectie was gekomen, maar in plaats van de brief discreet te laten verdwijnen, gunde hij Alfred Russel Wallace ridderlijk de eer om mee als ontdekker te worden erkend. Dat was halverwege de 19de eeuw. Het wetenschappelijke topvakblad Nature publiceerde vorige maand een interessant verhaal met wortels in het begin van de 20ste eeuw, over de vraag of de zelfs historisch belangrijke Amerikaanse astronoom Edwin Hubble zijn Belgische 'rivaal' Georges Lemaître zou laten censureren hebben, om niet te laten blijken dat hij in feite niet de eerste was geweest die de geleidelijke uitdijing van het heelal had beschreven, en daar een snelheid voor had berekend die nu als de Hubble-constante door het leven gaat.

Lemaître publiceerde in 1927 zijn inzicht dat het heelal uitdijt, en dus de facto een begin moet hebben gehad (dat als de Grote Oerknal bekend zou worden). Hij deed dat helaas in het Frans, en in een obscure Belgische publicatie: de Annales de la Société Scientifique de Bruxelles. Men gaat ervan uit dat Hubble die publicatie niet zag voor hij zijn versie van hetzelfde feit publiceerde, in 1929 in de gereputeerde Proceedings of the National Academy of Sciences. Maar al snel werd Lemaîtres bijdrage ruimer bekend, en in 1931 werd hij gevraagd er een Engelse vertaling van te maken voor de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society.

Zo gebeurde, en niemand die erom maalde, tot begin dit jaar duidelijk werd dat een aantal sleutelparagrafen, onder meer over de berekening van de uitdijingsconstante, uit het vertaalde artikel waren verdwenen. Censuur, beweerden sommige wetenschappers: Hubble zou die paragrafen laten weren hebben om de originaliteit van zijn eigen publicatie niet in het gedrang te brengen. Een ernstige vlek op zijn reputatie, luidde het. Maar een grondige analyse in Nature pleit Hubble van alle schuld vrij: het was Lemaître zelf die de vertaling maakte, en die de gewraakte passages schrapte, omdat hij vond dat ze niet meer relevant waren aangezien de gerenommeerde Hubble de berekeningen al had gepresenteerd, en hij zelf ondertussen andere berekeningen had gemaakt die gedetailleerder waren.

Volgens Nature zegt de saga veel over de psychologie van (sommige) wetenschappers uit die tijd. Op dezelfde manier als Wallace blij was dat hij bij het wetenschappelijke establishment rond Darwin kon aanleunen, was Lemaître blij dat hij de eer kreeg tot de inner circle van de wereldastronomie te kunnen behoren. Hij was er helemaal niet op uit om het krediet te krijgen van allereerste ontdekker van de Hubble-constante. Maar in feite had de Hubble-ruimtetelescoop dus de Lemaître-telescoop moeten heten. Astronomen pleiten er nu voor om een van de volgende grote telescopen naar onze illustere landgenoot te noemen.

Het mooie verhaal illustreert hoe de wetenschappelijke zeden veranderd zijn. Het illustreert ook dat de wetenschappelijke wereld een kenmerk heeft waarin ze zich fundamenteel onderscheidt van de rest van de wereld: een sterke capaciteit tot zelfcorrectie.
Dirk Draulans

Onze partners