28/06/11 om 15:17 - Bijgewerkt om 15:17

Werk

Europa wil dat in 2020 driekwart van de actieve bevolking aan het werk is. Ons land zal daartoe 'onverwijld' een versnelling hoger moeten schakelen.

Dat federaal minister van Werk Joëlle Milquet (CDH) een behoorlijk groot ego heeft, is bekend. Vorige zondag schreef ze een boze brief aan premier Yves Leterme (CD&V) met de vraag om staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding Carl Devlies (CD&V) tot de orde te roepen. Devlies heeft op eigen houtje gecommuniceerd over een akkoord tussen werkgevers en vakbonden van de bouw om de fraude en illegale tewerkstelling in die sector aan te pakken. Milquet had dat nieuws liever zelf uitgebracht.

Voor dergelijke flauwekul is er dus tijd binnen de ontslagnemende regering. Nochtans heeft Milquet meer dan genoeg om handen. Daarover laat het recentste jaarverslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid weinig twijfel bestaan. Volgens Jan Smets, directeur bij de Nationale Bank en voorzitter van die raad, heeft België de economische recessie relatief beter doorstaan dan de rest van Europa. Geholpen hebben een btw-verlaging voor de bouw, de uitbreiding van het systeem van de tijdelijke werkloosheid en heel veel overheidsgeld voor jobs in de gezondheidszorg, de hulpverlening en de sector van de dienstencheques. In de industrie, daarentegen, zal het banenverlies eind 2012 nog altijd niet gecompenseerd zijn.

In 2010 bedroeg de werkloosheid zodoende 8,4 procent (het EU-gemiddelde is 9,7 procent) en was 67,6 procent van de mensen in de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar aan het werk (dat is beter dan in 2007, maar een procentpunt minder dan gemeten voor de hele EU). Die globale cijfers verbergen de klassieke pijnpunten op de Belgische arbeidsmarkt. Laaggeschoolden en allochtonen komen heel moeilijk aan de bak. Ook de werkgelegenheid onder 55-plussers (37,5 procent tegenover 46,3 procent voor de EU) blijft ondermaats. En dan zijn er nog de grote verschillen tussen de regio's. In Vlaanderen is de werkgelegenheidsgraad 10 procent hoger dan in Wallonië en Brussel. Daartegenover is de werkloosheid in die laatste twee regio's respectievelijk twee- en driemaal hoger dan in Vlaanderen.

Ons land moet dan ook 'onverwijld' structurele hervormingen doorvoeren als het zijn ambitie wil waarmaken om de werkgelegenheidsgraad op te trekken tot goed 73 procent in 2020 (de EU-agenda mikt op 75 procent), merkt Smets op. Hij noemt loonkostenbeheersing, onderwijs, begeleiding van werkzoekenden en meer arbeidskansen voor laaggeschoolden, allochtonen en ouderen. 'Anders zal de doelstelling onmogelijk worden gehaald.'

Dat belet Milquet niet om zichzelf te feliciteren. In een commentaar vindt ze de regionale verschillen ook duidelijk niet relevant, met uitzondering van een subtiele opmerking dat er sinds 2007 in Vlaanderen meer en in Wallonië minder werkzoekenden zijn, en van een eigenzinnige interpretatie van statistieken dat Wallonië intussen strenger dan Vlaanderen zou zijn voor werklozen die werk weigeren. Geheel haar politieke zelve roept Milquet op tot een 'ambitieus en dynamisch pact voor de werkgelegenheid'. Over een regionalisering van het werkgelegenheid- en arbeidsmarktbeleid rept ze met geen woord.

Onze partners