05/01/14 om 09:23 - Bijgewerkt om 09:23

Migratie toen en nu: Overal en nergens thuis

In de reeks Migratie, toen en nu komen jongeren tussen 15 en 30 met een migratieachtergrond aan het woord.

Migratie toen en nu: Overal en nergens thuis

© Djamila Assudi-Bessuk

Naar aanleiding van 50 jaar Turkse en Marokkaanse migratie lanceert politiek filosoof en Brusselaar Bleri Lleshi samen met Knack.be de reeks Migratie, toen en nu. In deze reeks komen jongeren met een migratieachtergrond tussen 15 en 30 jaar aan het woord. Ze vertellen over het migratieverhaal van hun ouders of grootouders, maar ook wat dat verhaal vandaag voor hen betekent.

Toen ik tien jaar was besloot mijn vader om alles voor een tweede keer achter te laten en te verhuizen naar België. Toen koesterde hij nog de illusie van de 'Europese droom', aangewakkerd door de mooie verhalen van mijn oom die een aantal jaren voordien naar Brussel was geëmigreerd.

Dat zijn eigen Europese droom in Frankrijk niet bepaald een succes was geworden: een slecht betaalde job waar hij net de huur van een driekamerflatje in Clichy-sous-Bois mee kon betalen, deed er niet toe. Hij ging naar België, daar was het beter, daar zou hij snel veel geld verdienen want mijn oom had werk voor hem gevonden in een garage. Voor mij was België het land waar oom Ali woonde en ik keek er niet naar uit om alles achter te laten en in een vreemd land te gaan wonen.

Mijn vader is een Saoedi, mijn moeder is een Saoedi-Arabische van Marokkaanse afkomst. Zelf ben ik in Frankrijk geboren. Toen mijn vader meer dan 30 jaar geleden besloot om naar Frankrijk te emigreren, deed hij dat omdat hij zijn kinderen alle kansen in het leven wou geven. Ik denk dat hij oprecht geloofde in het sprookje dat Europa het paradijs op aarde is waar je gigantisch rijk kan worden. Dat het in Frankrijk niet gelukt was had hij kunnen weten,daar hielden ze niet van moslims. In België ging het wel lukken want daar waren de mensen verdraagzamer en zou hij meer kansen krijgen.

België dus. We kwamen terecht in Sint-Jans-Molenbeek, in een even kleine flat als in Clichy-sous-Bois, maar dat was maar tijdelijk, zo verzekerde mijn vader ons. Je moet weten dat wij thuis met elf zijn, elf kinderen bedoel ik dan, met zijn dertien in een driekamerflatje wonen is alles behalve leuk. Na twee jaar in Sint-Jans-Molenbeek te hebben gewoond, verhuisden we naar Antwerpen.

Ik moest in Antwerpen naar het eerste middelbaar terwijl ik slechts een paar zinnen Nederlands sprak. Maar vader was ervan overtuigd dat ik sneller Nederlands ging leren in een 'witte' ASO school. Dus daar stond ik dan op mijn eerste schooldag, het enige bruine meisje met een hoofddoek, vanaf dag één was ik de attractie op school. De meeste kinderen wilden niet met me praten, ze staarden alleen maar. Enkele nieuwsgierigen kwamen toch af, maar toen bleek dat ik amper Nederlands verstond, dropen ook zij snel af. Die eerste dag was de ergste dag van mijn leven, ik vervloekte mijn ouders omdat ze ooit naar België waren gekomen. Hadden we niet gewoon in Clichy-sous-Bois kunnen blijven? Wat kon het mij schelen dat ik daar geen toekomst had en vrijwel zeker in de werkloosheidstatistieken terecht was gekomen? Nu dank ik mijn vader met heel mijn hart dat hij toen niet toegegeven heeft aan mijn smeekbeden om naar een andere school te mogen.

Toen ik achttien was ben ik terug naar Frankrijk gegaan, ik studeer nu al een aantal jaar geneeskunde in Parijs. Ik ben terug in Clichy-sous-Bois gaan wonen bij mijn tante. Op de universiteit ben ik die 'Clichois', maar dat kan me niet schelen. In België was ik die 'bruine' of die 'makak', hier ben ik een 'Clichois' en ik ben er nog trots op ook, een van de weinige Clichois die het tot dokter zal schoppen.

Ik denk dat dat het lot is van kinderen met een migratieachtergrond: zich overal en nergens thuis te voelen, overal en nergens aanvaard te worden.

Zowel in Parijs als in België was ik een buitenlander, overigens net zoals in Saoedi-Arabië of Marokko. Toen ik als kind in Frankrijk woonde, kreeg ik weinig te maken met vooroordelen, bijna iedereen hier is van Arabische oorsprong en buiten Clichy-sous-Bois kwam ik zelden. De eerste keer dat ik de Eifeltoren zag was vanuit de verte toen we naar België vertrokken. In Brussel viel het racisme ook nog goed mee omdat Frans mijn moedertaal is. Het was pas in Antwerpen dat ik echt met racisme en discriminatie te maken kreeg. Niet alleen op school, maar ook op de bus of als ik ging winkelen was dat dagelijkse kost. Na een tijd keek ik er al niet meer van op als ik uitgescholden werd voor makak, als ze me toeriepen dat ik naar mijn eigen land moest terugkeren. Ik was eerder verwonderd als dat niet gebeurde en wanneer iemand oprecht vriendelijk was en de moeite en tijd nam om me te begrijpen. In het begin reageerde ik nog, probeerde ik uit te leggen dat ik pas in Antwerpen was komen wonen en volop Nederlands was aan het leren. Na een tijdje geef je dat op, mensen die vooroordelen hebben, luisteren toch niet, overtuigd van hun eigen gelijk, opgesloten in hun eigen bekrompen wereldje.

In Saoedi-Arabië ben ik een buitenlander. Terwijl ze me hier altijd als Arabische beschouwen, ben ik daar een Française. Saoedi-Arabië is het land waar mijn grootouders wonen, waar mijn ouders vandaan komen en vanwaar ik afkomstig ben. Ik heb een band met dat land die ik niet kan verklaren. Een haat-liefdeverhouding. Als ik in Saoedi-Arabië aankom voelt het alsof ik thuis ben, maar na een paar weken voel ik me verstikt, verlang ik terug naar Frankrijk. In België dacht iedereen dat ik Marokkaanse was, hoe vaak ik ook uitlegde dat ik nog nooit in Marokko ben geweest. In België lijkt het wel alsof je met een bruinere huidskleur en een Arabische naam automatisch uit Marokko komt.

In België heb ik me nooit thuis gevoeld. Zo heb ik of ik dat nu wou of niet, toch een band gecreëerd met dit land. Maar Belgische of Vlaamse heb ik me nooit gevoeld en dat zal ook nooit gebeuren. Parijs blijft de plaats waar ik me het meest thuis voel. Toch gebeurt het soms als ik een tijdje in Parijs ben, dat ik verlang naar Antwerpen, naar mijn ouders, vrienden, familie. Naar de Meir, de Turnhoutsebaan of Linkeroever.

Ik denk dat dat het lot is van kinderen met een migratieachtergrond: zich overal en nergens thuis te voelen, overal en nergens aanvaard te worden. Toen ik jonger was, was ik kwaad op mijn ouders; het was hun schuld, waarom moesten zij zo nodig naar een ander land trekken? Waarom waren ze niet gewoon in Saoedi-Arabië gebleven? Nu ben ik hun dankbaar, omdat ik me nu pas realiseer hoe rijk ik ben dankzij mijn migratieverleden. Een rijkdom die veel mensen nooit kunnen kennen. Ook al is het vaak moeilijk en ook al krijg ik vaak te maken met negatieve ervaringen, al die verschillende culturen die deel uitmaken van mijn identiteit zorgen ervoor dat ik me de rijkste persoon op aarde voel.

Ik heb van mijn ouders zowel de Saoedisch-Arabische als Marokkaanse cultuur meegekregen, en ook de Franse en Belgische cultuur draag ik in me en daar ben ik trots op. Op papier ben ik Française. Lang twijfelde ik of ik nu Frans, Arabisch of allebei was, en uiteindelijk ben ik tot het besluit gekomen dat ik Djamila ben, le Clichois.

Djamila Assudi-Bessuk

Ben je tussen 15 en 30 jaar en heb je een migratieachtergrond? Mail je brief naar ovbrussels@gmail.com

Onze partners