Hongersnood in 26 landen

12/10/11 om 19:19 - Bijgewerkt om 19:19

Wereldwijd kampen 26 landen met hongercrisissen. De situatie is het ergst in Burundi, Eritrea, Tsjaad en Congo.

Hongersnood in 26 landen

© Reuters

De dramatische situatie in de Hoorn van Afrika is bekend, maar ook in andere delen van zwart Afrika en Zuid-Azië hebben veel mensen te weinig te eten. Volgens de dinsdag gepubliceerde Wereldhongerindex hebben Burundi, Eritrea, Tsjaad en Congo de grootste problemen.

De Wereldhongerindex (Global Hunger Index - GHI), een initiatief van het Internationaal Onderzoekscentrum voor Voedselbeleid (IFPRI), de Duitse hulporganisatie Welthungerhilfe en het Britse Concern, rangschikt landen op basis van drie criteria: het aandeel ondervoede inwoners, het aandeel kinderen jonger dan vijf die te weinig wegen, en de sterftegraad onder kinderen.

In vergelijking met de jaren negentig is de honger globaal genomen licht afgenomen. Maar de situatie blijft "ernstig" en in 26 landen zelfs "alarmerend", zeggen de auteurs van het rapport.

De landen die het slecht doen, hebben vaak af te rekenen met gewelddadige conflicten. In Somalië, Ethiopië, Djibouti, Eritrea en Kenia, waar het voedselgebrek het meest acuut is, kwamen daar ook lange droogteperiodes bij.

Stille honger "Maar dat is maar één kant van de medaille", zegt Wolfgang Jamann, algemeen secretaris van Welthungerhilfe. "Daarnaast is er de 'stille honger' - meer dan een miljard mensen in de wereld hebben acute honger of zijn chronisch ondervoed."

De auteurs van het rapport wijzen ook internationale oorzaken aan voor dat massale voedselgebrek. Naast de klimaatverandering werken de massale teelt van gewassen voor biobrandstoffen en de toenemende speculatie op de landbouwmarkt pieken in de internationale voedselprijzen in de hand. Die factoren lagen ook al aan de basis van de prijsstijgingen van 2007 en 2008 en de dramatische gevolgen daarvan.

Het rapport gaat onder meer in op de toenemende handel in termijncontracten ('futures') op de landbouwmarkt, een instrument dat steeds meer door speculanten worden gebruikt. Het gokken op de toekomstige prijzen van belangrijke landbouwproducten heeft volgens de onderzoekers de prijzen van maïs, soja en tarwe de voorbije jaren opgedreven.

Excessieve speculatie In 2003 werd nog maar 13 miljard dollar (9,5 miljard euro) in termijncontracten voor voedselgewassen geïnvesteerd; in 2008 was dat bedrag al opgelopen tot 260 miljard dollar (190 miljard euro). Maximo Torero, een directeur van het IFPRI en medeauteur van het rapport, noemt de speculatie "excessief". "Er wordt bijvoorbeeld drie keer meer tarwe verhandeld dan er eigenlijk voorhanden is."

Volgens Torero wordt maar 2 procent van de termijncontracten voor voedselgewassen daadwerkelijk uitgevoerd. Hij vindt dat de markt beter moet worden gereguleerd.

Ook de toenemende populariteit van biobrandstoffen veroorzaakt problemen. Volgens het rapport keerden rijke landen en opkomende economieën in 2009 20 miljard dollar (14,6 miljard euro) aan subsidies uit om de productie van gewassen te bevorderen waaruit biodiesel of ethanol kan worden gewonnen. Door die ontwikkeling vermindert de teelt van voedingsgewassen, stijgen de voedselprijzen en worden de sterke prijsschommelingen die de brandstoffenmarkt kenmerken overgedragen naar de markt voor landbouwproducten.

De auteurs van het rapport raden de rijke landen aan hun beleid inzake biobrandstoffen te herzien. (IPS)

Lees meer over:

Onze partners