Bram Delvaux
Bram Delvaux
Advocaat en Senior wetenschappelijk medewerker Instituut voor Milieu- en Energiecht (IMER) van de rechtsfaculteit van de KU Leuven.
Opinie

08/07/14 om 11:41 - Bijgewerkt op 10/07/14 om 19:32

'Het houdt weinig steek dat het milieu zou lijden onder buitenlandse invoer van groene stroom'

'Het spreekt voor zich dat groenestroomcertificatenregelingen bijdragen tot de bescherming van het milieu, doordat op deze wijze de productie van groene stroom wordt bevorderd,' schrijft expert Bram Delvaux. 'Maar het argument dat deze milieubescherming in het gedrang zou komen door groene stroom in te voeren van een andere lidstaat, houdt weinig steek.'

'Het houdt weinig steek dat het milieu zou lijden onder buitenlandse invoer van groene stroom'

© Thinkstock

Menig lidstaat zal na het lezen van het arrest van het Hof van Justitie ("Hof") in de zaak C-573/12 Ålands Vindkraft AB tegen Energimyndigheten op 1 juli 2014 opgelucht hebben gereageerd. Het feit dat het Hof zich in grote kamer oftewel met 15 rechters heeft uitgesproken over deze problematiek geeft duidelijk weer dat deze zaak van uitzonderlijk belang is, maar dit is op zich geen garantie voor de kwaliteit van het arrest.

Toekenning Zweedse groenestroomcertificaten

De aanleiding van deze procedure bij het Hof was het verzoek van Ålands Vindkraft AB om haar windmolenpark Oskar, dat gelegen is op de Finse eilandengroep Åland, te laten erkennen bij de bevoegde Zweedse autoriteit Energimyndigheten met het oog op de toekenning van groenestroomcertificaten voor de door haar geproduceerde groene stroom. Hoewel het windmolenpark op het grondgebied van Finland gelegen is, is het park aangesloten op het Zweedse elektriciteitsdistributienet waardoor de geproduceerde groene stroom geleverd wordt in Zweden.

Dit erkenningsverzoek werd evenwel door de Zweedse autoriteit afgewezen met het argument dat alleen de in Zweden gelegen installaties kunnen worden erkend voor de toekenning van Zweedse groenestroomcertificaten. Tegen deze beslissing werd door Ålands Vindkraft AB bij de Zweedse bestuursrechter, Förvaltningsrätt i Linköping, een beroep ingesteld. Deze zaak werd vervolgens via een prejudiciële verwijzing door de Zweedse bestuursrechter aanhangig gemaakt bij het Hof met het verzoek om zich uit te spreken over de al dan niet strijdigheid van de Zweedse groenestroomcertificatenregeling met het Europese Unierecht.

Hof van Justitie

In dit arrest oordeelde het Hof in eerste instantie dat de Richtlijn 2009/208/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ("Richtlijn 2009/28/EG) lidstaten toestaat om een steunregeling voor de productie van groene stroom uit te werken waarbij de toekenning van groenestroomcertificaten wordt voorbehouden aan de op hun grondgebied gelegen installaties. Lidstaten zijn dus niet verplicht om hun steunregeling open te stellen voor groene stroom die wordt geproduceerd in andere lidstaten.

Vervolgens concludeerde het Hof dat de Zweedse groenestroomcertificatenregeling de invoer van groene stroom uit andere lidstaten kan belemmeren. Deze regeling is hierdoor in beginsel onverenigbaar met het in artikel 34 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie ("VWEU") vermelde principe van het vrij verkeer van goederen, tenzij deze onverenigbaarheid kan worden gerechtvaardigd.

Delen

Het houdt weinig steek dat het milieu zou lijden onder buitenlandse invoer van groene stroom

Deze belemmering kan volgens het Hof worden gerechtvaardigd door de doelstelling van algemeen belang, om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor de productie van elektriciteit te bevorderen, wat de milieubescherming ten goede komt en bovendien de klimaatverandering kan tegengaan. Daarnaast is volgens het Hof, door het loutere feit dat de groenestroomcertificatenregeling enkel de in Zweden geproduceerde groene stroom zou bevoordelen, het evenredigheidsbeginsel niet geschonden. Het Hof stelt dat een dergelijke territoriale beperking op zich, gelet op de huidige stand van het Unierecht die geen harmonisatie voorziet van de nationale steunregelingen voor groene stroom, als noodzakelijk kan worden beschouwd met het oog op het stimuleren van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie.

Tot slot is het volgens het Hof aan de nationale rechter om te oordelen, mits rekening te houden met alle relevante elementen, in welke mate de Zweedse groenestroomcertificatenregeling voldoet aan het rechtszekerheidsbeginsel.

Kritische bemerkingen

Op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de Zweedse groenestroomcertificatenregeling volgens de visie van het Hof in overeenstemming is met de Richtlijn 2009/28/EG en het beginsel van vrij verkeer van goederen. Een opluchting voor vele lidstaten, want advocaat-generaal Y. Bot kwam in zijn conclusie van 28 januari 2014 tot andere bevindingen. Hij oordeelde dat de Zweedse groenestroomcertificatenregeling onverenigbaar is met het vrij verkeer van goederen en dat deze onverenigbaarheid bovendien niet kon worden gerechtvaardigd. Bovendien concludeerde de advocaat-generaal dat artikel 3, lid 3 van de Richtlijn 2009/28/EG ongeldig was indien lidstaten op grond van deze bepaling producenten de toegang tot hun steunregeling zouden ontzeggen of beperken indien hun installaties voor elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen in een andere lidstaat gelegen zouden zijn.

Wat de schending van het vrij verkeer van goederen betreft, kan zonder enige twijfel worden vastgesteld dat de Zweedse groenestroomcertificatenregeling een economisch voordeel creëert voor de in Zweden gevestigde groenestroomproducenten. Dit wordt tevens bevestigd in het arrest. De vraag evenwel in welke mate deze schending eventueel kan worden gerechtvaardigd teneinde het milieu te beschermen en de klimaatverandering tegen te gaan, had het Hof op een andere wijze moeten beoordelen in haar arrest.

Met de afkondiging van het derde energiepakket is de voorbije jaren op het Europees niveau de keuze gemaakt voor een verdere liberalisering van de interne energiemarkt. De marktomstandigheden zijn hierdoor volledig gewijzigd, waardoor het Hof, zoals de advocaat-generaal heeft bevestigd in zijn conclusie, moeilijk kan blijven vasthouden aan zijn eerdere rechtspraak van het arrest PreussenElektra (C-379/98) van 13 maart 2001.

Het spreekt voor zich dat groenestroomcertificatenregelingen bijdragen tot de bescherming van het milieu, doordat op deze wijze de productie van groene stroom wordt bevorderd, maar het argument dat deze milieubescherming in het gedrang zou komen door groene stroom in te voeren van een andere lidstaat, houdt weinig steek. Het is voor de auteur onduidelijk waarom het Hof in zijn arrest de terechte weerlegging van de aangevoerde rechtvaardigingsgronden in deze zaak door de advocaat-generaal volledig naast zich heeft neergelegd.

Het Hof had met deze zaak de tools in handen om de Europese Uniewetgever erop te wijzen dat de door hem afgekondigde gebrekkige secundaire wetgeving, in casu de Richtlijn 2009/28/EG, steeds in overeenstemming dient te zijn met het primair recht van de Europese Unie. Van deze mogelijkheid heeft het Hof in dit arrest geen gebruik gemaakt en heeft het er klaarblijkelijk voor gekozen om zich in allerlei bochten te wringen om de schending van het vrij verkeer van goederen, door zowel de Richtlijn 2009/28/EG als de Zweedse groenestroomcertificatenregeling te rechtvaardigen.

Tot slot dient te worden vastgesteld dat het Hof zich met dit arrest heeft vastgereden. Het zal voor het Hof bijgevolg niet evident worden om van dit standpunt af te wijken in toekomstige rechtspraak.

Bram Delvaux is advocaat, Associate Professor of Law, Faculty of Law, University of Malta en Senior wetenschappelijk medewerker Instituut voor Milieu- en Energirecht (IMER) van de rechtsfaculteit van de KU Leuven.

Lees meer over:

Onze partners