Rudi Rotthier
Rudi Rotthier
Correspondent voor Knack.be in Noord-Amerika.
Opinie

27/12/14 om 08:32 - Bijgewerkt om 22:03

Een tijd van vrede, maar ook een tijd van ijshockey

Uit de jaarlijkse persstatistieken blijkt dat in 2014 10 van de 50 meest prominente nieuwsfeiten in Canada verband hielden met ijshockey. De premier heeft een boek over de sport geschreven, liever dan een boek over politiek. Zelfs IS-leden van Canadese herkomst verwijzen in propagandafilmpjes naar hun hockeyverleden - als om te bewijzen dat ze echt wel Canadees zijn. De kerstperiode is voor de sport een tijd van wedergeboorte.

Een tijd van vrede, maar ook een tijd van ijshockey

Een hockeygevecht, eerder deze maand in de wedstrijd tussen de Buffalo Sabres en de Calgary Flames © Reuters

Elke zaterdag brengt Rudi Rotthier, onze correspondent in Canada en de VS, u met een boeiend achtergrondverhaal een unieke inkijk in de stad of streek waar hij op dat moment resideert.

Rond kerstdag begint elk jaar het wereldkampioenschap ijshockey voor junioren. De grootste Canadese ster van de sport is tijdens dit tornooi opgestaan. Wayne Gretzky zette in 1977-78 als 16-jarige zijn doorgaans 19-jarige mede- en tegenspelers te kijk. Canada verloor dat tornooi in de halve finales, maar een ster was geboren en zou alle verwachtingen overtreffen.

De huidige superster Sidney Crosby stak in 2004-05 als 17-jarige zijn neus aan het venster. Momenteel lopen de kranten over van jubelberichten over het nieuwe fenomeen, Connor McDavid, ook 17, en volgens zijn coach, zoals alle allergrootsten, begiftigd met een hockeybrein dat drie-vier passen op voorhand weet waar de puck zal eindigen. Hij is snel, behendig, trefzeker, passzeker. Hij keert op de valreep terug uit blessure, opgelopen nadat hij bij een vechtpartij op het ijs een hand brak, en het is niet zeker of hij al op niveau kan presteren. In de openingswedstrijd, die Canada vrijdag met 8-0 won van Slovakije, kwam hij in ieder geval niet tot een goal of een assist. Misschien staat er wel een andere held op.

Connor McDavid, de nieuwe superster

Connor McDavid, de nieuwe superster © BELGA

Terwijl de profteams een korte kerstpauze inlassen, gaat alle aandacht naar de jongeren. Dit jaar wordt het kampioenschap in Canada georganiseerd, en het land heeft al een jaar of vijf niet meer gewonnen - dat knaagt.

Tuin onderwater

Maar dit tornooi is meer dan het opvullen van de pauze na het kerstdiner. Zelfs de meest getalenteerde lichting voetbaljunioren, of junior wielrenners, zal in België geen speciale tv-uitzendingen krijgen, elke wedstrijd live in prime time. In Canada wordt het juniorentornooi misschien zelfs hoger ingeschat dan het professionele hockey dat erop volgt. Dit is de tijd van ontbolsteren, van hoop, de hoop van kerstdag gecombineerd met af en toe een bloedneus.

Dit is ook het moment van de hockeygekke ouders, die dubbele shiften hebben gedraaid, of een extra baan hebben aangenomen, of alle vakanties hebben opgeofferd, die, zoals de vader van Gretzky, de tuin onderwater hebben gezet om het kind zo jong als mogelijk een eigen ijsvlakte te bieden. Tijdens het juniorentornooi kunnen ze, als alles goed is gegaan, genieten van het resultaat van hun opofferingen.

Jong begonnen, een éénjarige aspirant-speler in Edmonton

Jong begonnen, een éénjarige aspirant-speler in Edmonton © Reuters

Het loopt niet zo vaak goed af, trouwens. De selectie begint steeds jonger. En daar is, zo blijkt uit het boek Selling the Dream van hockeyjournalisten Ken Campbell en Jim Parcels, dat begin 2013 verscheen, vanalles mis mee. De kinderen zijn te jong, de ouders te gretig. Kinderen worden vanaf hun negende levensjaar aan selecties onderworpen, ze trekken niet veel later naar een hockeyschool, waar ze twee uur per dag hockey kunnen spelen. Tegen hun veertiende hebben de besten een agent die hun belangen vertegenwoordigt. De ouders, die jaarlijks tussen 10.000 en 14.000 euro neertellen voor de hockeyschool, gaan ervan uit dat een briljante hockeyspeler een beurs zal krijgen voor hoger onderwijs, of een lucratief profcontract, maar doorgaans draait de investering op niets uit. Er zijn weinig hockeybeurzen, en niet zelden heeft een jongen die op zijn tiende maar al te graag naar de hockeyschool wilde, op zijn dertiende andere interesses, die hij al dan niet durft te uiten (tegenover een vader die zelf ambitie had maar die nooit heeft waargemaakt). En de ouders blijven maar dokken, een zomerstage, een winterkuur. Het boek geeft het voorbeeld van een familie die 320.000 Canadese dollar (ruim 200.000 euro) in een zoon investeerde. Men zou meer kans hebben op rendement door dat geld aan de loterij te besteden, aldus de auteurs, nochtans allebei zelf hockeyfreaks.

Die bijna onvermelde ouderlijke obsessie, die tegenwoodig ook meisjes treft, staat haaks op het romantisch beeld van het kind dat in zijn of haar eentje ergens op een bevroren plas oefent tot er een briljante coördinatie ontstaat tussen snelle, mobiele schaatsen en stickbeweging. Dat kind in zijn eentje wordt een rariteit. Vroeger was er ijs voor iedereen, en was het geen buitensporig dure sport. Tegenwoordig zijn kinderen met ouders die geen geld te besteden hebben een heel eind achtergesteld.

Delen

Je moet hard je best doen om een volwassen speler te vinden die al zijn tanden heeft.

Vechtersbazen

Dat is niet eens het grootste probleem. Hockey is geen gezonde sport. Je moet hard je best doen om een volwassen speler te vinden die al zijn tanden heeft. De sport, dat is een van de aantrekkelijke punten, is razendsnel. Er wordt aan 35 per uur tegen glazen wanden geknald. Tegenstanders worden klemgereden, aangereden, omvergereden. De stick, de puck, die tegen 160 kilometer per uur wordt gelanceerd, en - nog gevaarlijker - de schaatsen komen in contact met tegenstanders. Er wordt met ellebogen gewerkt. En er wordt gevochten - ijshockey is als in principe niet-gevechtssport binnen bepaalde perken heel tolerant voor vechtpartijen. (volgens het wat afgezaagde grapje: ik ging naar een vechtpartij kijken en er brak een hockeywedstrijd uit)

Scheidsrechters laten de vechtenden betijen, terwijl het publiek zijn instemming betuigt. Elk team heeft een enforcer, iemand die tegenstrevers in het gelid houdt door ze desnoods tegen hun kanus te kloppen. Ook: als er weinig fut in de partij zit, willen sterren als Crosby wel eens op de vuist gaan met een toevallige tegenstander, kwestie van de concentratie bij de ploegmaats te bevorderen en het enthousiasme bij de toeschouwers wat aan te zwengelen. Want dat publiek wordt makkelijker warm van vechtersbazen dan van de briljante slalom van een aanvaller.

Derek Boogaard, in een van zijn vele gevechten

Derek Boogaard, in een van zijn vele gevechten © REUTERS

Onlangs verscheen een biografie over Derek Boogaard, een verdediger die in 2011, op zijn 28e, om het leven kwam na een overdosis van alcohol en pijnstillers. Hij was, toen scouts andere spelers in zijn team van 15-jarigen kwamen bekijken, opgevallen omdat hij niet alleen op het veld had gevochten, maar ook op de bank. De meer getalenteerde spelers kregen geen contract maar Boogaard was uiteindelijk een verdienstelijk enforcer geworden. De vele vechtpartijen eisten echter hun tol en uit de autopsie bleek dat hij zware hersenbeschadiging, en een verslaving aan pijnstillers, had overgehouden aan het hockey. Sidney Crosby, nu 27, en voor Canada de held van de Olympische Spelen in Vancouver, waar hij met een goal in de verlenging het hockeygoud won, is al enkele keren maandenlang uitgeteld geweest met hersenletsel. Van hem wordt gezegd dat hij nog één hersenschudding verwijderd is van het einde van zijn carrière.

Over die kwalijke kant wordt weinig gesproken. Er is een soort nationale beslissing om ijshockey belangrijk, en ook goed te vinden. Hockey prijkt op het briefje van vijf Canadese dollar. Bij het binnenrijden van kleinere steden zie je vaak het portret hangen van een of meerdere lokale hockeyhelden. Daar hangt niet de beste student of de meest meedogende van de bewoners, maar wel de 24-jarige blaag die gaten in het ijs speelt bij de Philadelphia Flyers, op een grootte die Mao behaagd zou hebben. Dat is de droom, dat is de trots, dat is het beeld dat Canada van zichzelf heeft. Hockey is het enige, wordt wel eens gezegd, wat het land echt verbindt. En op dat niveau is ijshockey voor Canada wat voetbal is voor Brazilië, of cricket is voor India of Pakistan: een nationaal gespreksonderwerp, een nationale bezigheid, een vereenzelviging.

Rauwe emotie

Misschien is hockey in Canada ook zo populair omdat de sport het land toont zoals het zou willen dat het is. De hockeyspeler is het alter ego van de Canadees. Spectaculair in plaats van eerder saai. Elegant en behendig improviserend in plaats van half immobiel in anorak. Een bundel rauwe emotie, klaar om bij het minste te ontploffen, in plaats van bedachtzaam en eerder traag. In beide gevallen slim, in beide gevallen rechtkrabbelend, voortschaatsend na de val.

Vijf Canadese dollar

Vijf Canadese dollar © /

De sport leeft immer onder de dreiging van crisis. Er worden minder kinderen geboren - zullen er nog wel genoeg hockeyers zijn? Zullen de migrantenkinderen wel hockey willen spelen (het heeft lang geduurd maar hockey is niet langer een exclusief witte sport, de ster en trekpleister van de Montréal Canadiens is tegenwoorig glorieus zwart), vallen de tv-ratings niet tegen (dat doen ze dit jaar, Hockey Night in Canada, de zaterdaguitzending met opeenvolgend twee volledige wedstrijde,n lokt iets minder kijkers dan vorig jaar, maar dat is allicht te wijten aan het buitenwerken van de populaire presentator), moet de sport niet kijkervriendelijker gemaakt worden (er wordt al decennia gesproken over een fluorescerende puck om het makkelijker te maken de sport te volgen, maar puristen houden de innovatie tegen).

Canada is niet langer het land van de beste professionele hockeyteams ter wereld (die zitten al enkele decennia in Amerikaanse steden, waar er rijkere sponsors zijn), maar het is wel nog altijd het land van de beste en de meeste spelers. Andere nationale teams, zoals die van Zweden en Rusland, soms Tsjechië, spelen mooier, verfijnder hockey, maar Canada vindt zichzelf efficiënter, harder, hardnekkiger, uiteindelijk beter. En de junioren moeten dat voor het eerst in vijf jaar bewijzen. Want in iets wat de nationale sport is, mag je niet te vaak van het buitenland verliezen.

Door Rudi Rotthier uit Vancouver, Canada

Lees meer over:

Onze partners