De jaren zestig begonnen in het Vaticaan

30/05/12 om 14:35 - Bijgewerkt om 14:35

Het zijn niet de studenten die de jaren zestig zo stout gemaakt hebben, evenmin als de rockers of de provo's. Dat kreeg een begin op de meest onwaarschijnlijke plaats op aarde: in de naaf van de Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De jaren zestig begonnen in het Vaticaan

© PhotoNews

De kerk gedroeg zich tot ver in de jaren vijftig zoals het beeld van haar paus, Pius XII. Die leek zichzelf een levende heilige op aarde te vinden, en de kerk een perfecte instelling in een voorts steeds zondiger wereld. De moderne wereld werd achterdochtig bejegend, vooruitgang wantrouwig tegemoet getreden. Ook binnen de kerk zelf. Al het kerkelijke werd van zijn 'historische context' ontdaan: het was er zogezegd altijd geweest.

Toen paus Pius XII in oktober 1958 stierf, moesten de kardinalen een opvolger aanduiden. Dat bleek geen sinecure. Pius was zo tevreden met zichzelf dat hij amper behoefte had aan medewerkers, zelfs niet aan kardinalen. Uiteindelijk, na ontelbaar veel stemrondes, werd de vereiste tweederdemeerderheid gevonden rond een van de youngsters uit hun midden: de 76-jarige Angelo Roncalli, de patriarch van Venetië, werd paus Johannes XXIII.

Goeiige dikkerd
Johannes leek niet alleen een goeiige dikkerd, daarom was hij eigenlijk ook verkozen. Intussen konden alle hoge kardinalen en Romeinse prelaten die de diverse dicasteriën (zeg maar, de Vaticaanse ministeries) van de Curie (het centralistische Vaticaanse bestuur) bemanden, precies blijven doen zoals ze altijd gedaan hadden en van plan waren te blijven doen. Alles wat ze deden was in naam van de paus, en dus speelden ze zelf voor paus.

Maar zoals wel meer gebeurt: het college van kardinalen had zich danig mispakt. In 1959 slaat die goede paus Johannes iedereen met verstomming door een concilie af te kondigen. Dat is een vergadering van alle katholieke (en met de katholieke kerk verbonden) bisschoppen (incluis kardinalen, patriarchen, belangrijke abten en leiders van religieuze congregaties en dergelijke) die de leer van de kerk op punt stelt en bijwerkt.

Vrije verkiezingen
Na een voorbereidingsperiode waarin de spanningen hoog opliepen, brak de grote openingsdag aan. De paus werd op een draagstoel binnengedragen, en hij gaf zijn beroemde openingstoespraak 'Gaudet Mater Ecclesia' ('Het verheugt onze moeder de kerk'). En toen gebeurde het. Ineens werd de Heilige Vader bijzonder duidelijk. 'In de dagelijkse uitoefening van ons pastoraal ambt moeten we tot onze grote droefheid dikwijls luisteren naar insinuaties van hen die, hoewel vurig en ijverig, duidelijk gebrek hebben aan een open geest; zij zien in de moderne wereld niet anders dan verraad en ruïnes.' Hij riep hen ook op om eerder te grijpen naar de barmhartigheid dan naar het wapen van de veroordeling.

De toon was gezet, door de paus zelf. Al op de eerste zitting was het prijs. Het Vaticaanse apparaat liet lijstjes circuleren met daarop de namen van de leden van de 'voorbereidende commissies' - die dus alle teksten op punt zouden zetten. Ze hadden alvast de namen van die leden ingevuld: in meerderheid 'betrouwbaar' volk, niet van plan veel te veranderen. De oude Frans kardinaal Achille Liénart nam het woord, en zei dat die procedure hem niet zinde. Waarop - héél ongewoon - donderend applaus door Sint-Pieters golfde. Een grote meerderheid van bisschoppen deelde de mening van Liénart: er moesten 'vrije verkiezingen' komen. En zo gebeurde. En zo bleef gebeuren.

Rocksterren
Een nieuwe garde van kardinalen nam de kerk in handen. Daarbij ook de Belg Leo Jozef Suenens. Hij had een echte oorlogsvloot mee: de verzamelde theologen van de toen nog tweetalige Leuvense universiteit. Voor de Franse bisschoppen was het meer dan zomaar een overwinning dat zij theologen meetroonden die een paar jaar eerder nog veroordeeld waren door Rome, zoals de felle dominicaan Yves Congar of de punctuele jezuïet Henri de Lubac. Ook de flamboyante Duitser Hans Küng en de briljante 'Vlaamse Nederlander' Edward Schillebeeckx maakten furore. Zij namen wel niet zelf aan de debatten deel, maar zij stuurden de teksten in de voorbereidende commissies bij, zij gaven druk bijgewoonde lezingen en interviews, in kranten en bladen, op radio en tv. Zeker voor het katholieke publiek waren durfals als Küng en Schillebeeckx de rocksterren van hun tijd, herauten van een anticultuur waartegen het oude mainstreamdiscours niet opkon.

Voor de gewone gelovigen primeerden vooral de wijzigingen in uiterlijkheden: de mis was niet meer verplicht in het Latijn, de priester stond niet meer met zijn rug naar het volk, het altaar werd naar het midden van de kerk opgeschoven (voor de concilievaders moest de liturgie écht 'democratischer' worden, tot afschuw van een minderheid die wilde behouden wat was). De veroordeling van de Joden als verdoemd volk en godsmoordenaars werd opgeheven, er kwam een - andermaal - democratischer concept van de kerk als 'volk gods', men omarmde het concept van de scheiding tussen kerk en staat. Er kwam appreciatie voor de moderne tijd, overbodige ornamenten werden afgeschaft, pronkzucht was voortaan taboe. (WP)

Het volledige artikel leest u deze week in Knack Extra: De jaren 60, met daarin onder meer nog bijdrages over het Antwerpse café De Muze, Che Guevara en de invloed van de beatgeneration.

Onze partners