Bogdan Vanden Berghe
Bogdan Vanden Berghe
Bogdan Vanden Berghe is algemeen directeur van 11.11.11.
Opinie

31/08/14 om 11:52 - Bijgewerkt om 11:56

Bedrijfsbehoeften zijn niet het uitgangspunt voor ontwikkelingssamenwerking

Didier Reynders verklaarde zopas dat de ontwikkelingshulp van België zich moet focussen op domeinen waar Belgische bedrijven sterk staan. Die uitspraak getuigt van een gebrek aan kennis over ontwikkelingssamenwerking, schrijft 11.11.11-directeur Bogdan Vanden Berghe.

Bedrijfsbehoeften zijn niet het uitgangspunt voor ontwikkelingssamenwerking

Didier Reynders © BELGA

'De ontwikkelingshulp van België moet zich focussen op domeinen waar de Belgische bedrijven sterk staan', verklaarde Didier Reynders in de marge van een EU-bijeenkomst in Milaan. Dit zou, zo meent Reynders, worden ingeschreven in het federale regeerakkoord dat momenteel wordt onderhandeld. 11.11.11 vindt deze visie op ontwikkelingssamenwerking getuigen van een gebrek aan kennis. "Dit soort 'gebonden hulp' is een achterhaald idee. Het is duurder, levert een slechtere kwaliteit van ontwikkelingshulp en is ook economisch een slecht idee", reageert de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging.

De ontbinding van hulp, zoals dit soort ontkoppeling tussen ontwikkelingsdoelstellingen en economische doelstellingen heet, werd jaren geleden al noodzakelijk geacht. Er is sinds 2001 binnen de OESO - die goede praktijken in ontwikkelingssamenwerking promoot - een internationale afspraak om hulp te ontbinden. Dat heeft ertoe geleid dat de ongebonden hulp de laatste vijftien jaar van meer dan 80% tot 46% daalde. In België is de hulp vrijwel geheel ongebonden (minstens 92%). Daarmee behoort ons land tot een goede leerling. Die internationale en Belgische tendens is er niet zonder reden.

Duurder

Gebonden hulp is in de eerste plaats economisch onzinnig. Een land dat hulpgelden ontvangt moet zelf kunnen beslissen waar ze welke goederen en diensten wil kopen. Alleen zo kan de hoogst mogelijke kwaliteit verkregen worden tegen de laagste prijs. Hulp beperken tot sectoren die België aanwijst of - nog drastischer - afhankelijk maken van de verplichting goederen en diensten te kopen bij de bedrijven van het hulpbiedende land, leidt tot verspilling van hulpgelden. Onderzoek wijst uit dat gebonden hulp zorgt voor een prijsstijging van 15 à 30%, omdat de concurrentie wegvalt. Hulp wordt zo een pak duurder voor het ontvangende land, terwijl de keuze en keuzevrijheid tegelijk beperkt wordt.

Al eens mislukt

Hoewel België vandaag goed scoort op vlak van 'ongebonden' hulp, was dat in het verleden wel anders. Zo leidde gebonden hulp in het verleden tot zogenaamde 'witte olifanten' - dure projecten van het Belgische bedrijfsleven waar niemand wat aan had. Zo werd met Belgisch ontwikkelingsgeld een glasfabriek gebouwd in Tanzania, waar de huizen geen ramen hebben, bleken dure medische containers kapot te gaan op Afrikaanse wegen en investeerde de Belgische ontwikkeling zelfs in een nepbedrijf waar de Italiaanse maffia achter zat. Niemand is gebaat bij een heruitgave van die schandaalsfeer.

Beiden verliezer

Ontwikkelingssamenwerking moet ontwikkelingslanden sterker maken. Dat betekent ook dat hun lokale bedrijfsleven ondersteuning verdient. Ontwikkelingssamenwerking kan die geven. Dat doe je niet door contracten te reserveren voor Belgische ondernemingen, maar door lokale bedrijven in te schakelen. Dat zorgt alleen maar voor voordelen. Meer lokale knowhow en capaciteitsversterking van die lokale bedrijven. Is dat niet net wat we willen met onze ontwikkelingssamenwerking? Bovendien: bij overheidsopdrachten in een ontvangend land, moeten alle bedrijven, dus ook lokale bedrijven, kunnen meedingen. Gebonden hulp is een subsidie die marktverstorend kan werken.

Nederland als goed voorbeeld?

Reynders verwijst naar Nederland als goed voorbeeld van gebonden hulp. Vreemd. Recente evaluaties van het Nederlands beleid leerden dat de langetermijneffecten voor Nederlandse bedrijven beperkt zijn. Als er al effecten zijn, zo schrijft de Nederlandse evaluator, dan gaat het steeds over een bestendiging van al bestaande handelsrelaties. Van bedrijven, met andere woorden, die ook zonder de hulp al actief waren in het ontwikkelingsland.

Conclusie: de essentie van ontwikkelingssamenwerking is mensen en landen sterker maken, zodat ze op eigen kracht verder kunnen. Ontwikkelingshulp moet dus uitgaan van de bezorgdheden, behoefte en vragen die vanuit het Zuiden zelf komen, niet vanuit het land dat steun verleent. Ook een regering die veel wil doen voor ondernemers zou dat moeten weten.

Onze partners