Nick Hannes
Opinie

07/06/07 om 18:00 - Bijgewerkt om 17:59

Weg

Acht uur zijn we onderweg, voor een afstand van nauwelijks honderd kilometer. Het Tadzjiekse wegennet is legendarisch versleten. We zullen ons reistempo moeten aanpassen de komende weken.

Weg

Istarafshan, vijf uur 's ochtends. De taxichauffeurs aan de bazar slapen nog in hun wagens. We zijn te vroeg. De eerste die wakker wordt, is Tachir. Hij wil ons voor dertig dollar naar Ayni brengen in zijn Lada Niva. Die weg loopt door het Fan-gebergte, een route waar bussen zich niet aan wagen.

Bij wijze van ochtendlijke mondhygiene, kiepert Tachir een handpalm pruimtabak onder zijn tong, en we zijn weg. Het zwart is net uit de lucht als we Istarafshan verlaten.

De baan heeft een pletwals nodig. Het is beter in de wegberm te rijden dan op de restanten van het Sovjet-beton.

De weg klautert omhoog, langs dikke pakken smeltende sneeuw. Vrachtwagens steken stapvoets de Ayni-pas over, 3378 meter hoog. Het is mei en ijzig koud. In de wintermaanden is er geen doorkomen aan.

Aan de andere kant van de pas botst een dichte wolk tegen de bergflank. De afgronden naast de weg zijn onzichtbaar, maar diep.

We pikken een moeder met kind op, gestrand in een vrachtwagen die met pech aan de kant staat. In volle afdaling worden we twee uur opgehouden aan een wegblokkade. Een eind verderop worden rotsen met dynamiet opgeblazen om de weg te verbreden. Het gebulder echoot door de vallei. De hoofdbaan van Khojand naar Dushanbe is vooralsnog een zandweg vol keien.

De Ayni-pas is weldra geschiedenis. Beneden werken potige mannen met oranje helmen ijverig aan een tunnel doorheen het bergmassief.

Wanneer we in Ayni aankomen, zijn we acht uur verder. Acht uur, voor een afstand van nauwelijks honderd kilometer. Het Tadzjiekse wegennet is legendarisch versleten. We zullen ons reistempo moeten aanpassen de komende weken.

Onze partners