21/11/12 om 09:41 - Bijgewerkt om 09:41

Waar Di Rupo I echt faalt

Het vertrouwen in de economie krijgt geen boost en de toekomst van de publieke financiën blijft erg broos.

Zet tien mensen bij elkaar over de begrotings- en relanceplannen van de regering Di Rupo I en de kans is groot dat de discussie afsluit met elf meningen op tafel. Straks na de de state of the union vanwege eerste minister Elio Di Rupo zal het weer én zo mogelijk nog meer van dat zijn. Het helpt allicht te midden die kakofonische toestanden om de bespreking van de plannen van Di Rupo I vanuit een meer specifieke vraagstelling te doen. Twee vragen dringen zich dan op:

Zal het programma van Di Rupo I bijdragen aan het herstel van vertrouwen bij consumenten en producenten?

Brengen de maatregelen van Di Rupo I de publieke financiën van België op het pad van structurele houdbaarheid?

Wat de eerste vraag betreft, moet onmiddellijk opgemerkt worden dat de actieradius van Di Rupo I sowieso beperkt uitvalt. België is een zeer open en kleine economie. Het vertrouwen van consumenten en producenten heeft dan ook veel te maken met wat er in de wereld rondom ons gebeurt. De aanslepende eurocrisis, de budgettaire problemen in de VS (vooral de fiscal cliff van eind dit jaar), niet aflatende geopolitieke onrust (Gaza, Iran) en een dreigende wisselkoersoorlog tussen de grote blokken in de wereld zijn maar vier van de vele internationale hot items die ook stevig drukken op de sfeer in België. Het is als federale regering, van welke kleur of samenstelling ook, bijzonder moeilijk om daar tegen in te roeien.

Maar zelfs in een penibele internationale omgeving blijft het de dwingende verantwoordelijkheid van zij die regeringsverantwoordelijkheid opgenomen hebben om ook te presteren, onder meer in de richting van vertrouwensherstel. Wat betreft vertrouwensherstel bij ondernemers en investeerders scoort Di Rupo I ronduit slecht. De manier waarop omgegaan wordt met de loonhandicap is bijzonder teleurstellend.

De evaluatie van de grootte van die loonkosthandicap gebeurt wereldvreemd. De 5,2% handicap maakt abstractie van de handicap die reeds bestond in 1996 en laat tevens het veel grotere verschil inzake loonkosten met Duitsland (veruit onze belangrijkste economische partner) volkomen onaangeroerd. De aftrek van 1,8% omwille van allerhande maatregelen reeds genomen om de loonkosten te drukken is ook wereldvreemd want uiteraard bestaan er in de buurlanden ook dergelijke ingrepen.

En dan het perspectief van 2018. Terwijl vele ondernemers en ondernemingen vechten voor hun voortbestaan komt de regering vertellen dat het probleem zal opgelost zijn binnen zes jaar. Dat is niet enkel volstrekt ongeloofwaardig (niet in het minst omwille van het integrale behoud van de indexering), het is in termen van sense of urgency een kaakslag voor ondernemers en potentiële investeerders.

Ook op het vlak van de fiscale druk op ondernemingsactiviteit scoort Di Rupo I slecht. De verdere afbouw van de notionele intrestaftrek (256 miljoen euro) en de meerwaarde taks op aandelen bij holdings (95 miljoen euro) verhogen de reeds hoge fiscale druk zelfs verder. Vooral wat de meerwaardetaks betreft, leeft er nogal wat onrust bij ondernemers. Het is nu allemaal toegespitst op de grotere holdings maar iedereen beseft dat de uitbreiding van dit regime naar kleinere ondernemingsentiteiten slechts een kleine stap is. Dat gevoel van ongerustheid wordt uiteraard nog verder aangewakkerd door uitspraken als die van PS-voorzitter Thierry Giet die in deze context gewaagt van "een eerste stap" die gezet is.

Ook inzake mogelijk vertrouwensherstel bij de consumenten leveren de maatregelen van Di Rupo I een pover resultaat af. Eerst en vooral is er het besef bij de doorsnee burger dat het hierbij niet zal blijven (cfr infra). Niemand krijgt bij kennisname van het maatregelenpakket van Di Rupo I het gevoel dat dit nu een belangwekkend verschil gaat geven op het vlak van de economische activiteit en de tewerkstellingsperspectieven.

De verhoging van de roerende voorheffing op diverse spaarvormen tast bovendien de koopkracht van de bevolking aan, een gegeven dat verhoudingsgewijs meer gaat spelen naarmate de bevolking veroudert. De aanwezige koopkracht in de economie wordt bij een dergelijke evolutie steeds meer afhankelijk van de mogelijkheden van die verouderende bevolking om terug te vallen op spaaropbrengsten.

De tweede cruciale vraag die we hoger opwierpen, betreft de mate waarin het maatregelenpakket van Di Rupo I bijdraagt aan een structurele gezondmaking van de publieke financiën van ons land. Ook hier moet vastgesteld worden dat Di Rupo I geen goed rapport kan krijgen.

Een ernstige beoordeling inzake de structurele gezondheid van de publieke financiën vereist per definitie een analyse op langere termijn. Niet op één of twee jaar maar op twee à drie decennia. De techniek van de intergenerational accounting (IA) is daarbij erg bruikbaar. IA-analyses zoals onder meer uitgevoerd door instellingen als de BIB (Bank voor Internationale Betalingen) en het IMF en door private economen als bijvoorbeeld Larry Kotlikoff en het Duitse duo Bernd Raffelhuschen en Stefaan Moog geven een zeer goed beeld van wat er op langere termijn dient te gebeuren om de overheidsschuld onder controle te houden.

Om de overheidsschuld op haar huidig niveau van pakweg 100% van het BBP te houden, dan moet, zo blijkt o.m. uit de analyse van de twee Duitse economen, de Belgische regering een inspanning doen gelijk aan ruim 5% van het BBP of afgerond 20 miljard euro. Die inspanning moet minstens twee decennia onverkort volgehouden worden.

Premier Di Rupo wuift met 18 miljard euro aan ingrepen zodat het doel binnen handbereik lijkt. Niets is minder waar. Vermits een belangrijk pakket van die 18 miljard uit eenmalige maatregelen bestaat (minstens 5 miljard) en vermits met name het Planbureau de haalbaarheid en de opbrengst van een aantal maatregelen sterk in twijfel trekt, kom je dus in de realiteit al sowieso ver onder die 18 miljard euro terecht. Dan moet er ook nog eens rekening gehouden worden met het feit dat belastingverhogingen altijd een stuk zelfvernietigend zijn (kijk wat er bijvoorbeeld gebeurt met de opbrengst van de fiscaal zwaardere aanpak van bedrijfswagens) en de 18 miljard, laat staan de benodigde 20 miljard, zijn echt wel ver af.

Deze lange termijn-beschouwingen gaan dan nog volkomen voorbij aan belangrijke korte termijn-aspecten van de begrotingsopmaak. Zo is er de door de regering gehanteerdehypothese van een economische groei van 0,7% voor volgend jaar. Het IMF kwam in haar recente prognose uit op 0,3%. In kringen van zowel de Nationale Bank als van de OESO in Parijs vernemen we dat nulgroei voor volgend jaar op dit moment het meest realistische perspectief is. Komt er uiteindelijk 0% ipv 0,7% op de tabellen dan maakt dat ruw geschat al minstens een verschil van 1 miljard euro uit op het niveau van het begrotingssaldo. Dat men tegen, pakweg, mei van 2013 niet komt beweren dat men verrast is door de evolutie van de economie en weer bijkomend moet gaan bijsturen in de begroting. Dat verhaaltje kregen we dit jaar ook al opgedist.

Al het gespin en politiek retorische gedoe ten spijt, kan er niet voorbijgegaan worden aan de conclusie dat Di Rupo I zwaar tekort schiet op twee wezenlijke problemen van vandaag. Het vertrouwen van consumenten en producenten wordt onvoldoende opgekrikt en de evolutie van onze publieke financiën op langere termijn blijft absoluut zorgwekkend.

Onze partners