Vrije Tribune
Vrije Tribune
Knack.be geeft hier een forum aan columnisten en gastbloggers
Opinie

06/02/13 om 09:50 - Bijgewerkt om 09:50

Vanwaar komt Amerika's wapencultuur?

Amerika's wapencultuur is het resultaat van verschillende en vaak contrasterende sociale en economische bewegingen, eerder dan een solide diepgewortelde algemene hang naar wapenbezit. Een geschiedenisles door publicist Jaak Delbeke.

Naar Amerika kijken we nog steeds met grote ogen om uiteenlopende redenen. Ondanks alles blijft het de grootste en meest dynamische economie ter wereld, nog steeds en lang voor China. Alle conservatieve politieke signalen ten spijt, herkoos Amerika Barack Obama als eerste zwarte president. En ondanks zijn onbetwiste militaire superioriteit bouwt Washington zijn aanwezigheid in Afghanistan en Irak af, en neemt nog slechts schoorvoetend of terughoudend deel aan nieuwe buitenlandse missies, denk aan Libië en Mali. Niet dat Amerika introvert wordt, maar kennelijk neemt Washington een nieuwe voorzichtigheid in acht, die sommigen bezorgt en haast on-Amerikaans lijkt.

Maar als het op wapendracht in eigen land aankomt, affirmeert Amerika zijn uitzonderingspositie met verve en zonder schroom. Daar blijft Amerika verbazen door roekeloze hardleersheid. De Amerikaanse "state of mind" blijft aan wapens gehecht ondanks de nauwelijks te tellen slachtoffers bij schietpartijen. In de afgelopen 40 jaar zijn haast één miljoen Amerikanen bij wapengeweld omgekomen, wat meer is dan hun oorlogstol sinds 1917. De wapencultuur is zo dominant dat je er niet omheen kan, of je die nu verheerlijkt, misprijst of aanvaardt als een noodzakelijk kwaad. En toch zijn wapens géén essentieel onderdeel van het Amerika van de afgelopen 400 jaar, al lijkt het tegendeel waar.

Het zogenaamde "Second Amendment" van de "Bill of Rights" waar steeds naar verwezen wordt, onderstreept weliswaar het onverkorte recht van Amerikanen om wapens te hebben en te dragen. Maar dat ze wapendol zijn, is een historische mythe. Michael Bellesiles van de Emory Universiteit in Atlanta heeft veel onderzoek gedaan naar de wapencultuur in de VS, ook in vroeger tijden. En zoekend in hun nalatenschap lieten de Amerikanen hun kinderen zelfs zelden wapens na. Toen de oorlog in 1812 begon had de staat zelf meer speren dan vuurwapens in zijn arsenaal. Voor 1850 blijkt niet meer dan 10 procent van de bevolking wapens te bezitten, zegt Bellesiles. Zelfs een op hol geslagen verbeelding kan vandaag dus niet beweren dat Amerika gegrondvest is op privébezit van wapens.

Als ze er destijds al waren, waren ze trouwens duur. Want vuurwapens en kruit moesten geïmporteerd worden, en de prijs van een wapen was haast het jaarinkomen van een doorsnee boer. Terwijl een standaardgeweer momenteel drie dagen werk kost voor een gemiddeld inkomen! Het wijdverspreide wapenbezit zoals nu, begon ten tijde van de burgeroorlog (1861-1865) en de effectieve aanzet was de industrialisatie. De legereenheden werden per trein aangevoerd en voorzien van wapens uit de nieuwste fabrieken. En op het einde van de oorlog trokken de manschappen mèt hun wapens naar huis!

De burgeroorlog zorgde er dus voor dat Amerika evolueerde van een land met een paar honderdduizend geweren, naar een met miljoenen. Die oorlog - eerder dan het geloof in het individueel recht op wapenbezit - bewapende dus Amerika en resulteerde in de eerste misdaadgolf. Want in de tien jaar volgend op het einde van de burgeroorlog, piekten de moordcijfers, reden waarom de productie en het wapenbezit na de burgeroorlog niet afnam. Wapens raakten zelfs in de mode toen de groeiende middenklasse ging jagen en de levensstijl van de Britse aristocratie ging imiteren. En in 1836 lanceerde Samuel Colt zijn eerste reclamecampagne ter promotie van wapens.

Anders dan de mythe wil doen geloven, waren de grote industriesteden in het oosten veel gewelddadiger dan het meest uitgelezen cowboydorp. Robert Dykstra schrijft dat "in zijn meest bezongen periode als stoer cowboydorp - we schrijven 1876-1885 - Dodge City amper 15 geweldsdoden liet optekenen, terwijl het gemiddelde 1,5 doden per cowboy-seizoen was" ("The cattle towns", Knopf, 1968). Dorpen als Tombstone (Arizona) en Dodge City (Kansas) hadden zelfs bijzonder lage moordcijfers omdat reizigers hun wapen aan de stadsgrenzen moesten inleveren. Maar niet in het oosten. In 1872 schandvlekte de "Missouri Republican" New York als een "paradijs voor moordenaars" en bekritiseerde zijn "chronische onverschilligheid tegenover een straffeloze moordbusiness".

Einde 19e eeuw stond de huidige Amerikaanse wapencultuur in de steigers: veralgemeend privéwapenbezit en diverse bedrijven die aan redelijke prijzen de markt bevoorraadden. Maar er was meer nodig, aldus Bellesiles. Er moest een overtuiging aan te pas komen - mogelijks ondersteund door de overheid - dat privéwapenbezit een haast hoger doel diende en Amerika's vrijheid bij uitstek belichaamde.

En die kwam er na een verandering van het leiderschap in de NRA (National Rifle Association). Gesticht door twee Unionistische soldaten in 1872, zag de NRA zichzelf aanvankelijk als een schietclub voor scherpschutters, ver weg van het beleid. Maar dat veranderde. De NRA begon sportlui te vertegenwoordigen, organiseerde trainingen voor jagers, cursussen om veilig met wapens om te gaan en zelfs het opzetten van een schietteam om de VS te vertegenwoordigen bij de Olympische Spelen. Lobbying hoorde er weliswaar bij, maar haast hadden ze bij de NRA niet om wapenwetten te kneden. De NRA had veel weg van de Scouts, meer niet.

Maar twee ontwikkelingen veranderden dat. De eerste was de Wapencontrolewet van 1968, die de verkoop van wapens per post verbood in de nasleep van de moord op president J.F. Kennedy. Die wapenwet werd door de NRA-leiding gesteund, maar niet door vele van zijn leden. De tweede ontwikkeling was de komst van Hanlon Carter aan het hoofd van een dissidente groep binnen de NRA. De stoere Texaan - die een beschuldiging voor moord in beroep wist om te zetten -)veranderende de NRA van een sportclub naar één van de machtigste lobby's van het land. In 1977 kwamen hij en zijn medestanders aan het hoofd van de organisatie. Osha Gray Davidson schetst in zijn "Under fire" (1998) hoe Carter de NRA tot een politieke machine omsmeedde, voor het eerst een presidentskandidaat openlijk steunde (Ronald Reagen) en een netwerk van Congresleden uitbouwde dat gekant is tegen wapencontrole. In 1986 toonde de NRA haar werkelijke macht door de Wapenwet van 1968 uit te hollen. Weliswaar een politiek hoogstandje, aldus Davidson, hoewel velen menen dat de NRA uitgerekend nu zou moeten ijveren voor verantwoord wapenbezit. Die transformatie van de NRA is de kers op de taart van de Amerikaanse wapencultuur.

De koloniale en revolutionaire periodes hadden bijgedragen aan de idee, de verbeelding, de mythe ... maar lang niet de praktijk van de heroïsche burgermilities. De burgeroorlog bewapende het land en ontwikkelde de wapenindustrie. De mytische Wild West had wapendracht verheerlijkt, en de misdaadcijfers van het verstedelijkte oosten had de noodzaak ervan onderstreept. Tenslotte voorzag de NRA in de politieke steun voor de idee dat privéwapenbezit de hoeksteen van Amerika's vrijheid is.

Zo bezien is Amerika's wapencultuur het resultaat van verschillende en vaak contrasterende sociale en economische bewegingen, eerder dan een solide diepgewortelde algemene hang naar wapenbezit.

Jaak Delbeke Publicist

Onze partners