01/03/13 om 10:23 - Bijgewerkt om 10:23

Schuldig verzuim van Di Rupo I

De federale regering draagt een grote verantwoordelijkheid voor de tsunami aan jobverlies. De onzekerheid rond het eenheidsstatuut en de te hoge loonkosten moeten heel dringend aangepakt worden.

Schuldig verzuim van Di Rupo I

© Belga

In gevallen als Ford Genk, Caterpillar, Verbinnen Poultry Group en ING haalt het jobverlies de spits van het nieuws omdat het om grote getallen gaat. In de schaduw van die mega-cijfers grijpen evenwel dezelfde jobdrama's plaats bij vele kleine en middelgrote ondernemingen.

België zit met een joekel van een tewerkstellingsprobleem. Met stijgende verbazing moet worden vastgesteld dat vanuit de federale regering wel luide retoriek weerklinkt over het dramatische verlies aan jobs maar dat het concrete beleid veel meer een variante is op de zin "Ik stond erbij en ik keer ernaar" uit het traditionele kinderliedje "Ik zag twee beren".

Het feit dat onze werkloosheidsgraad nog altijd onder de Europese gemiddelden ligt, is, helaas, maar een schrale troost. Die Europese gemiddelden worden immers fors opgetrokken door de dramatische toestanden in landen als Griekenland, Spanje en Portugal. Bovendien blijft België inzake tewerkstellingsgraad (zijnde het percentage van de beroepsbevolking dat effectief aan de slag is) achter op de Europese gemiddelden. Volgens de OESO-gegevens haalt België een tewerkstellingsgraad van 62% tegenover bijvoorbeeld 75% in Nederland, 73% in Duitsland en 72% in Oostenrijk. Binnen de eurozone scoren enkel Ierland (60%), Spanje (59%), Italië (57%) en Griekenland (56%) slechter dan België op het vlak van de tewerkstellingsgraad.

Uiteraard spelen diverse factoren een rol bij het zware verlies aan jobs dat zich nu al maanden doorzet in België en in Vlaanderen. De algemene economische crisis is een belangrijk gegeven. Maar die crisis slaat overal in Europa toe en toch moet men vaststellen dat landen als Duitsland en Nederland en niet-eurolanden als Denemarken en Zweden er in slagen om hun tewerkstelling veel beter op peil te houden dan wij.

Ook het feit dat de beslissingscentra van de meeste multinationals buiten België liggen, speelt ons bij momenten zeker ook parten. Toch is de recente jobtsunami in hoge mate een vorm van zelfverwonding als gevolg van een gebrek aan ernstig beleid vanwege de federale regering.

Zonder het belang van elementen als de hoge fiscale druk en de vele anomalieën in onze reglementering uit het oog te verliezen, springen vandaag twee onderdelen van dat falende beleid extra in het oog. Ten eerste is er de aanslepende discussie over de invoering van het eenheidsstatuut voor bedienden en arbeiders. Alles wijst er op dat inzake ontslagregeling de arbeiders zullen opgetild worden naar iets dat in de buurt ligt van wat de bedienden vandaag genieten. Ondernemingen anticiperen hierop en tonen zich vandaag extra streng bij de opmaak van de sowieso onvermijdelijke herstructureringsplannen. Dit heeft een cynisch kantje maar het is vooral de onzekerheid rond wat er inzake dat statuut zit aan te komen die hier nadelig inwerkt op jobcreatie en jobbehoud.

De discussie over dit eenheidsstatuut sleept nu al maanden, om niet te zeggen jaren, aan. Langs vakbondszijde beet men zich de voorbije maanden steeds meer vast in de gelijkschakeling à la hausse zodat een akkoord binnen het sociaal overleg alsmaar moeilijker komt te liggen. De regering Di Rupo had, gegeven de negatieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, al lang moeten trancheren in deze discussie.

Het tweede element van falend beleid betreft de toenemende handicap voor onze bedrijven, zeker die in de industriële sfeer, inzake loonkosten. Er kan niet genoeg benadrukt worden dat het om de loonkosten gaat en niet om het netto-loon, integendeel zelfs.
Nergens in de wereld is de afstand tussen totale loonkost voor de werkgever en netto-loon voor de werknemer (de zogenaamde loonwig) zo groot als in België. Wie de arbeiders van Caterpillar bezig hoorde, weet dat ook zij beseffen dat ze gewoon te duur geworden zijn. Die jobverslindende duurte van arbeid heeft alles met de fiscale aanslag van de overheid op arbeid te maken.

Vorige week stipte de Nationale Bank in haar jaarverslag nog aan dat de loonkostenhandicap 13% bedraagt. Volgens Eurostaat gaat het zelfs om méér dan 20%. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven komt met lagere cijfers maar de geloofwaardigheid van die cijfers - kijk naar de steevast hoogst vreemde correcties inzake arbeidstijden - ligt stilaan onder nul. OESO en IMF hameren ook steeds op het pijnpunt van de te hoge loonkosten. De tenoren van Di Rupo I staan altijd opvallend te zwaaien met deze rapporten als die positieve zaken te melden hebben maar als het om de loonkost gaat, vindt men die analyses plots veel minder relevant.

De regering Di Rupo wil de loonkostenhandicap tegen 2018 wegwerken. Ware het niet zo intriest en sociaal-economisch zo dramatsich qua gevolgen, dan zou men deze intentie als een goeie grap kunnen beschouwen. Di Rupo I doet aan schuldig verzuim inzake het jobverlies dat vandaag duizende gezinnen in dit land treft. Hoeveel jobs moeten nog bijkomend voor de bijl vooraleer de hand nu eens echt aan de beleidsploeg gaat?


Onze partners