Luc Baltussen
Opinie

14/02/12 om 12:18 - Bijgewerkt om 12:18

Schouderklopje mag

Hoogleraar Joep Konings breekt een lans voor steun aan de industrie.

In mijn lievelingsstrip moppert een kleine Cato tegen haar oudere en meer rabiate zus dat ze wel mee wil doen aan haar acties tegen de verderfelijke vleesindustrie, alleen 'níét tijdens de maaltijden!'

Vaak heb ik hetzelfde gevoel bij Amerikanen die ervoor pleiten dat hun overheid de eigen industrie meer in bescherming moet nemen tegen buitenlandse import: ze lijken weleens te denken dat de vrije markt vooral een mooi ding is in het buitenland. Maar een pittige column in Time, onlangs, maakte hierover toch een sterk punt. De Chinezen subsidiëren hun industrie ook, en wel massaal! En al stelt de economische theorie dat subsidiëren de deugden van de concurrentie in de weg staat, die Chinezen creëren er voor zichzelf toch heel veel mooi werk mee.

Ook de Leuvense econoom Joep Konings vindt dat we met ons denken over subsidies voor de industrie niet heiliger moeten zijn dan de paus. 'Concurrentie en vrijhandel zijn belangrijk voor innovatie en groei, maar enkel wanneer iedereen dezelfde regels hanteert', schreef hij onlangs in een bijdrage voor De Tijd. Dat de nieuwe groeilanden op tal van manieren de exportmogelijkheden van hun eigen industrie ondersteunen, is voor Konings een belangrijke reden om het nog eens over de modernisering van het industriebeleid te hebben. De strenge Europese regels over staatssteun zijn immers niet bedoeld om industrie en nationale overheden te veroordelen tot het voeren van een ongelijke strijd.

De professor heeft nog andere argumenten. De markt valoriseert immers niet alles wat we als burgers waardevol vinden. Bepaalde verplichtingen, bijvoorbeeld op het vlak van milieu of afvalbehandeling, kunnen hele nieuwe industrieën doen ontstaan of opzwepen. Een derde argument is dat bedrijven er voordeel bij hebben dicht bij elkaar in de buurt te gaan zitten: niet alleen omdat ze op die manier dezelfde bronnen kunnen delen (zoals de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel) maar ook omdat ze dan makkelijker aan elkaar kunnen leveren en van elkaar kunnen leren. In dat licht is het verdwijnen van industriële spelers uit zo'n cluster een bedreiging voor alle bedrijven in die cluster. En ten vierde merkt Konings op dat we ons niet moeten laten misleiden door de kracht van de groeilanden: naarmate zij groeien, krijgen ze meer en meer af te rekenen met dezelfde problemen (en traagheid) die ook ons bezwaren en nemen onze kansen om terug te vechten - lees: gedelokaliseerde activiteiten terug te halen - dus toe.

Steunen dus, die industrie! Maar hoe? Het verhaal van Bekaert leert ons nog maar eens, voor zover dat nog nodig was, dat je als overheid nooit behoorlijk kunt inschatten wie de winnaars zullen zijn. Hoe moet je dan je energie oriënteren? Konings haalt op dit punt zijn mosterd in Harvard. Onderzoek daar wees uit dat steun het best rendeert als die mikt op sectoren waarin bedrijven zwaar moeten knokken tegen internationale concurrenten, of op bedrijven met relatief veel hooggeschoolde werknemers. Slimme subsidies moeten bovendien altijd verschillende bedrijven kunnen bereiken, en niet slechts één. En als bedrijven ondanks de steun falen, heeft het weinig zin ze nog eens opnieuw geld toe te stoppen.

Het pleidooi van Joep Konings maakt duidelijk dat een verstandige sturing - zelf noemt hij het een 'realistische' kijk op overheidssteun - net de kracht van een vrije markt beter kan exploiteren. Wat knippen in de versnippering van het huidige beleid zou alvast voor meer overzicht kunnen zorgen.

Luc Baltussen

Onze partners