12/10/12 om 10:14 - Bijgewerkt om 10:14

Regering Di Rupo begaat klassieke fout

Steun aan de chemiesector is geen goeie optie. Di Rupo I moet stoppen met het ondermijnen van het algemeen investeringsklimaat en concurrentievermogen.

Samen met de sector zelf gaat de regering Di Rupo naar volgende zomer toe een reeks steunmaatregelen uitdokteren ten voordele van de chemiesector. Meer bepaald het investeringsklimaat en het concurrentievermogen van deze sector moeten blijkbaar dringend bijgespijkerd worden. Di Rupo I slaat daarmee inzake haar economisch beleid opnieuw de bal fundamenteel mis.

Er kan niet de minste twijfel over bestaan dat de chemiesector een erg belangrijk onderdeel is van de Belgische economie. Zowel qua tewerkstelling (direct en indirect) als qua toegevoegde waarde, innovatiekracht en investeringsritme behoort de chemiesector tot de absolute top binnen de Belgische economie. Grote en kleinere chemie-ondernemingen zorgen voor een mix van activiteiten die we als land heel dierbaar moeten koesteren.

Door steunmaatregelen specifiek voor deze sector te gaan uitwerken, maakt de regering Di Rupo I een heel expliciete keuze. Men wil de chemiesector extra ondersteunen omdat men klaarblijkelijk gelooft dat daar grote expansiemogelijkheden liggen. Dat de keuze voor steun aan de chemie met actieve lobbying zou te maken hebben, sluiten we als mogelijkheid even uit.

Op wat baseert Di Rupo I die keuze? Op het actuele belang van de chemiesector? Op de toekomstverwachtingen voor die sector? Allicht een combinatie van beide elementen. Maar die redenering kan ook voor andere sectoren opgebouwd worden.

Bovendien kan de regering ook niet weten welke sectoren naar de toekomst toe de echte trekkers van de economie zullen worden. Vele meningen bestaan daarover maar uiteindelijk zal het in de markt zijn dat daarover de beslissingen vallen. Het track record van regeringen om in deze beslissingen in de plaats van de markt te treden, is schabouwelijk slecht. Niet dat regeringsleden en hun medewerkers dom zijn, ze hebben finaal te veel andere prioriteiten als het er op aankomt economische en industriële keuzes te maken.

De realiteit is dat er een groot structureel probleem bestaat voor het geheel van de Belgische economie op het vlak van investeringsklimaat en concurrentievermogen. Wat dit laatste betreft zijn de problemen al lang genoegzaam bekend: te hoge loonkosten, loodzware fiscaliteit, te hoge energiekosten en kostelijke regulering. Al deze factoren remmen uiteraard ook de investeringen die bijkomend lijden onder de rechtsonzekerheid. Onze bewindslui rennen de wereld rond om de notionele interestaftrek te verkopen en alzo investeringen naar hier te lokken.

Als dan blijkt - wat expliciet de bedoeling was en ook zo aangeprezen is indertijd door Leterme, Reynders & Co - dat er minder belastingen betaald worden door de bedrijven die van de notionele intrestaftrek gebruik maken, gaan de poppen aan het dansen. Op allerhande manieren probeert men het gebruik van die aftrek in te perken. Waar het misbruik en oneigenlijk gebruik (alhoewel: hoe definieer je dit laatste?) betreft, is het uiteraard evident dat er moet ingegrepen worden. Maar het spreekt voor zich dat het terugkomen op afspraken gemaakt met grote internationale investeerders (dat is wat er echt gebeurt vandaag) op termijn ons land als investeringslocatie zuur zal opbreken.

Di Rupo I moet algemeen geldende maatregelen ter verbetering van het investeringsklimaat en het concurrentievermogen nemen. Dat is een moedig en efficiënt beleid. Deze regering leeft inzake investeringsklimaat en concurrentievermogen echter van de kleine, gerichte ingreepjes waar maar al te vaak politieke doelstellingen primeren op sociaal-economische. Haar globaal beleid drukt negatief op het investeringsklimaat en het concurrentievermogen. Elio Di Rupo himself etaleerde die realiteit gisteren nog eens voluit in de Kamer.

Onze partners