Sus van Elzen

Peking koopt een nieuw gezicht bij de specialist

Sus van Elzen Sus van Elzen is journalist en auteur

Maakt het Middelste Rijk zich zorgen over zijn imago in de wereld rondom?

Wie de schrille, buitenmaatse reacties van Peking gezien heeft op internationale bijval voor, laat ons zeggen, contestatie van de Chinese overheersing in Tibet, bezoeken van de Dalai Lama, of de toekenning van de Nobelprijs aan Liu Xiaobo, zal er zijn geld niet op verwedden. En toch.

Eind december verschenen een paar artikels in China’s Engelstalige nepkranten als de China Daily, over een koerswijziging inzake informatie. Daarin las men dat, in de woorden van minister Wang Chang, ‘ondanks grote verwezenlijkingen in de organisatie van mechanismen om informatie vrij te geven, sommige woordvoerders dit niet goed doen’.

Men vertale dit als een bericht dat de berichtgeving over politiek en ander gebeuren in China rottig is en, belangrijker, dat de overheid dat weet. Dus, zei de minister, worden opleidingen voor partij- en regeringswoordvoerders versterkt ‘om te verhelpen dat zij dingen niet durven, niet willen of niet kunnen zeggen’. Tientallen departementen, te beginnen bij het Centraal Comité, hebben officiële woordvoerders aangesteld. Veel meer persconferenties werden gehouden, en dat, zei het bericht, betekent een enorme vooruitgang in de verbetering van de transparantie in de informatie. De volgende stap, zei professor Li Xiguang daar, ‘wordt groter professonalisme bij de officiële woordvoerders’.

Het zal allemaal als muziek klinken in de oren van journalisten en andere lui die nieuwsgierig zijn naar wat China beweegt. Maar de transparantie heeft haar limieten, want wie worden deze woordvoerders geacht op de hoogte te brengen? De Chinese overheid heeft als leidraad inzake informatie immers dat alleen zijzelf alles moet kunnen lezen, en dan nog. Van de hele loodzware top zijn er, volgens een Chinese vriend die ik hier anoniem zal laten, geen duizend man die echt alles mogen (of moeten) lezen. Wat de andere anderhalf miljard Chinezen betreft, hoe minder die weten hoe beter het voor ze is. Informatie voor iedereen is een aspect van democratie dat in China niet aanvaard is, en persvrijheid is een notie waar men niet goed van weet waar ze voor dient.

Dus moet men wel denken dat de bestemming van al deze wijsheid de buitenwereld zal zijn, en daaruit concluderen dat de Leiding zich over haar imago daar zorgen maakt. Vroeger, zei professor Li, moesten perscontacten vooral Westerse media-organisaties en dan traditionele Westerse en Chinese media te woord staan, maar heden ten dage heeft onder meer het internet het medialandschap grondig veranderd.

De heren in Peking zien dus in dat de rijzende Chinese grootmacht gediend zou zijn met een verzorgder reputatie in de wereld. We noteren dat de minister en de professor (en de journalist) het nergens hebben over wat de regering doet, maar alleen over de woorden en het verhaal waarmee erover bericht wordt. Anders gezegd, de regering voelt zich niet ongemakkelijk met haar overreacties op de grond, maar wel over hoe haar verhaal daarover in de wereld ontvangen wordt. Zo komen we bij een nieuwe, speciale vriendschap.

Traditioneel stelde China zich in het Midden-Oosten op als bondgenoot van de Palestijnen. Dat belette Israël niet al jaren gouden zaken te doen met Peking bij de verkoop van onder meer militaire spitstechnologie (wat onder andere met de VS tot conflicten leidde). Beide landen hadden een band overgehouden aan het feit dat Israël na de bloedige Tiananmen-ontruiming in juni 1989 gewoon voort wapens was blijven leveren aan China, ondanks de wapenembargo’s die de meeste Westerse landen nogal secuur opvolgden. Door zijn speciale conflict met de Palestijnen en zijn praktijk in de Bezette Gebieden is Israël gespecialiseerd geraakt in twee, drie domeinen die China interesseren. ‘Minderheden’ als Oeigoeren in Sinkiang, Tibetanen, en ontevreden arbeiders en boeren scheppen meer en meer problemen voor Peking, dat er minder dan vroeger met de botte bijl kan ingaan. Israël, met zijn ervaring in een enigszins parallel probleem, heeft een onschatbaar arsenaal ontwikkeld van electronische en geïnformatiseerde bewakings- en meldingssystemen, beheersing van oproer enzovoort. Sinds 2004 heeft China daarvan een behoorlijk aantal in gebruik.

Anderzijds is ook Israël bezorgd geraakt over zijn tanend imago in de Westerse wereld, vanwege zijn acties rond Gaza en de Palestijnen, die het, via het verdwijnen van goede wil, boycot- en andere acties een hoop kosten en last baren. Daarom herdenkt Israël zijn public relations en propagandamethodes in de wereld, hasbara in het Hebreeuws, en wil zich een nieuw image aanmeten van minzaamheid, beschaving en eeuwige waarden in plaats van nogal ruwe succesverhalen van macho’s in tanks.

Ook dat hebben de Chinezen gemerkt. Mijn vriend, boven vermeld, had net een boek gelezen, toevallig of niet, over Israëlische propagandamethoden en stond daarvan te kijken. In maart 2010 kwam ene kolonel Xeuping met een Chinese delegatie op bezoek in Israël om daar ‘de lessen in public relations uit de Tweede Libanese Oorlog en de Operatie Cast Lead’ te bestuderen, en ook een kijkje te nemen in de school van het leger voor mediatraining en de integratie van woordvoerderschap in operationele planning. Of hoe gelijkaardige praktijken, of men klein is of groot, tot gelijkaardige problemen leiden, die gelijkaardige oplossingen vragen.

Sus van Elzen.
Shanghai, 10 januari 2011.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content