07/05/13 om 10:42 - Bijgewerkt om 10:42

Oplossing voor de economische crisis - Plan B: een viertrapsraket

Er is geen Plan B voor de economische crisis en Plan A werkt niet, schreef Trends-hoofdredacteur Johan Van Overtveldt gisteren op Knack.be en Trends.be. Vandaag legt hij uit wat Plan B moet zijn. De oplossing voor de economische crisis volgens Johan Van Overtveldt.

Oplossing voor de economische crisis - Plan B: een viertrapsraket

Lees hier: Economische crisis: er is geen Plan B en Plan A werkt niet

Thomas Jefferson, één van de founding fathers van de Verenigde Staten en de derde Amerikaanse president, taxeerde het als een enorm voordeel voor de jonge staat dat men niet, zoals in zijn ogen het toenmalige Europa dat wel onderging, diende af te rekenen met "the dead hand of the past". Wie vandaag nadenkt over de sociaal-economische en financiële problemen en de mogelijke oplossingen ervoor kan moeilijk anders dan gefrappeerd zijn door de verwijzing van Thomas Jefferson naar de zware last van het verleden.

Op Vlaams, Belgisch, Europees en zelfs Westers niveau in het algemeen vertonen de structurele problemen die vandaag op de beleidstafels liggen een ver terug gaande stamboom.

Beweegt men van het Belgisch naar het Europees niveau, en finaal geografisch nog een stapje verder, dan vallen vier structurele economische problemen duidelijk af te lijnen: het concurrentievermogen van het Belgische bedrijfsleven (gedefinieerd in de brede zin van het woord), de vergrijzing van de bevolking en de impact daarvan op de publieke financiën, de aanslepende crisis binnen de eurozone en de problematiek van een gezonde organisatie van het bankwezen en de financiële markten in het algemeen.

Het opvallende van elk van deze problemen is dat ze al lang onder ons vertoeven en vooral dat voor wie zien, luisteren en begrijpen wou deze problemen niet weggemoffeld in een hoekje lagen maar duidelijk aanwezig tekenden reeds vele jaren en zelfs decennia terug.

Het probleem van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven is in België chronisch. Na de devaluatie van februari 1982 zaten we enkele jaren goed maar in de loop van de jaren 1990 liep het geleidelijk terug fout. Af en toe laaide de discussie op en volgde er wel eens een maatregel maar ten gronde stond men erbij en keek men er naar. Idem dito voor de vergrijzing. Reeds op het einde van de jaren 1970 hoorde ik de Antwerpse hoogleraar Emiel Van Broekhoven zeer expliciet en geargumenteerd waarschuwen voor de vergrijzingsgolf die er tegen het begin van de 21ste eeuw zat aan te komen. Hoongelach uit het politieke halfrond was zijn deel. De euro zat van bij de aanvang krakkemikkig in elkaar.

Ondergetekende hoorde bij het groepje van mensen dat daar in de aanloopjaren naar de start van de euro toe systematisch voor aan de alarmbel trokken. De bankenproblematiek is van recentere datum maar geloofwaardige waarschuwingen over de aberrante tekortkomingen van het huidige model gaan toch ook al ruim tien jaar terug.

Het gaat dus niet op de huidige bewindvoerders te overladen met alle zonden Israëls omdat hun beleid faalt of achter de feiten aan hinkt. Vandaag weegt op de meest nijpende pijnpunten die zich sociaal-economisch en financieel aanbieden de Jeffersoniaanse dodende hand van het verleden loodzwaar door. Enkele decennia van haast systematische struisvogelpolitiek eisen vandaag een zware tol. De hoge tot zeer hoge staatsschuld is het directe resultaat van die struisvogelpolitiek.

Het feit dat diverse zware problemen zich nu tegelijkertijd in een acute fase bevinden, maakt het bijzonder moeilijk om oplossingen door te drukken. Elk van de vier aangegeven structurele problemen op zich grondig aanpakken, vormt al een titatenjob. Ze tegelijk aanpakken - wat vandaag helaas moet - is naar de politieke realiteit toe allicht geen realistische verwachting. Lukt het niet dan staan we onvermijdelijk voor een heel lange periode van economische stagnatie (at best), sociale achteruitgang en politieke turbulentie. Wat er moet gebeuren om de zaken terug op het rechte spoor te krijgen, is inderdaad niet van de poes.

Het concurrentievermogen van de Belgische bedrijven

Voor een kleine, zeer open economie als de Belgische - in 2011 bedroeg ons BBP 370 miljard euro, onze export 314 miljard euro en onze import 308 miljard euro - is een competitieve omgeving voor onze ondernemingen een conditio sine qua non voor het behoud van onze welvaart en van de tewerkstelling. Een kaduke competitiviteit ondergraaft onze economie, onze publieke financiën en onze sociale voorzieningen.

Sedert 1 mei van dit jaar erkennen socialistische voormannen als Rudy De Leeuw en Bruno Tobback nu ook zeer expliciet dat er een probleem bestaat rond onze loonkosten. 10% reductie daarvan, zo deelde De Leeuw mee, zou 150 000 nieuwe jobs moeten opleveren. Heel waar en geweldig dat nu ook de topman van het ABVV plots die redenering onderschrijft. Een daling van de loonkosten met 10% zou een flink stuk van de concurrentiehandicap wegnemen.

Van groot belang is echter dat men de financiering van een dergelijke korting op de loonkosten structureel organiseert, wat dus niet kan via de opbrengst van de strijd tegen fiscale en sociale fraude. Ofwel brengt die strijd niet al te veel op en dan valt er ook weinig aan loonlasten te verlagen. Ofwel brengt die strijd echt wel vele miljarden euro op maar dan is dat per definitie tijdelijk. Succesvol de fraude te lijf gaan, betekent automatisch dat de opbrengst van de strijd tegen de fraude snel gaat dalen. De noodzakelijke daling van de loonkosten moet om geloofwaardig en duurzaam te zijn, gefinancierd worden met besparingen op de uitgaven van de overheden. Dit noopt tot harde politieke keuzes, bijvoorbeeld een substantiële afbouw van het ambtenarenkorps op alle niveau's van onze overheden.

Het concurrentievermogen van een regio of een land bestaat uit veel meer dan loonkosten die internationaal in lijn liggen. Drie andere uiterst belangrijke elementen hierbij zijn infrastructuur, fiscaliteit en regulering. Onze overheden bespaarden de voorbije decennia in belangrijke mate op infrastructuurinvesteringen met als gevolg dat we op dit vlak (denk aan de eindeloze files) meer en meer in de problemen komen.

Wat de fiscaliteit betreft kunnen we kort wezen: De Belgische werknemer, en ook de kleinere ondernemende Belg, behoort tot de zwaarste belaste ter wereld. Maar ook kapitaal wordt in België al zwaarder belast dan vaak gedacht wordt (voor meer details in dit verband, zie het omslagverhaal in Trends van deze week). De opdracht hier is even simpel als politiek onwezenlijk: afbouw van de fiscale druk, zeker die op arbeid, is hoogst noodzakelijk en kan enkel zinvol gebeuren via afbouw van het overheidsbeslag op de economie. Wat de regulering betreft, kunnen talloze voorbeelden gegeven worden van voorschriften die de zaken nodeloos moeilijk en duur maken. Ons vergunningenbeleid mag bovenaan de prioriteitenlijst staan.

De vergrijzing van de bevolking

Perfecte Storm, het boek dat de Gentse hoogleraren Koen Schoors en Gert Peersman vorig jaar publiceerden, maakte de waarschuwing nog eens zeer expliciet: de kost van de vergrijzing van de bevolking is enorm en we zijn daar nauwelijks op voorbereid. Peersman en Schoors vervoegden met hun uitstekende analyse een lang rij van waarschuwingen over de gevolgen van de vergrijzing die teruggaan, zoals hoger reeds aangegeven, tot de jaren 1970. We kregen een Zilverfonds opgelepeld, gevolgd door een Generatiepact. Druppels op een hete plaat, in het beste geval. Het politieke bedrijf duwde, ongeacht de politieke kleur, de hete aardappel systematisch voor zich uit, zich geregeld verschuilend achter negationistische prietpraat die terzake regelmatige uit bepaalde kringen opborrelde.

De realiteit vandaag is dat bijvoorbeeld inzake pensioenen, en zeker inzake ambtenarenpensioenen, de beloftes uit het verleden niet zullen kunnen waargemaakt worden. Onder geen enkel scenario. Het wordt hoog tijd dat de bevolking deze boodschap te horen krijgt, best samen met de maatregelen die zich opdringen. Er zal dus minder pensioen kunnen uitbetaald worden dan beloofd en alternatieve vormen van pensioenvorming zullen verder gestimuleerd moeten worden.

Het tweede groot probleem voortvloeiend uit de vergrijzing van de bevolking betreft de gezondheidszorg. Ook hier kunnen we onmogelijk blijven doorgaan op de ingeslagen weg. Tussen 2002 en 2011 stegen volgens de gegevens van de Nationale Bank de uitgaven voor gezondheidszorg met 70% terwijl de omvang van de economie (het BBP) slechts met 38% toenam en dit terwijl de extra kosten als gevolg van de vergrijzing er nu pas beginnen aan te komen. Efficiëntieverhoging in de zorgverstrekking (bv. op het vlak van organisatie van en samenwerking tussen hospitalen), meer doordachte prestatievergoedingen en afblokking van overconsumptie door het verhogen van de prijsprikkels (remgelden e.d.) dringen zich op.

De eurocrisis

Hier bewegen we van het Belgische naar het Europese niveau, al is het natuurlijk wel zo dat ook de vergrijzingsproblematiek zich op Europees, ja zelfs mondiaal, niveau situeert. De realiteit is evenwel dat landen de vergrijzing in belangrijke mate op nationaal niveau kunnen aanpakken terwijl de eurocrisis enkel mits een coherente Europese aanpak kan bezworen worden.

Twee ingrepen dienen voorop te staan rond oplossingen voor de eurocrisis. Ten eerste dient er een heuse Europese politieke unie te komen waardoor er eindelijk een afdoende institutionele inkapseling van de monetaire unie vorm kan gegeven worden. De in de steigers staande bankenunie vormt daar een belangrijk onderdeel van. Een echte bankenunie bestaat uit drie elementen: gemeenschappelijk bankentoezicht, een Europese depositoverzekering en een Europees resolutiemechanisme

. Met dit laatste wordt bedoeld een organisme dat snel en efficiënt kan optreden bij de aanpak van banken die in problemen komen. Het gemeenschappelijk bankentoezicht zou bij de Europese Centrale Bank (ECB) terechtkomen maar vooral vanuit Duitse hoek blijft men erg moeilijk doen. Inzake de twee andere vereisten voor een bankenunie is er ten gronde nauwelijks vooruitgang geboekt.

Een belangrijk onderdeel van de uitbouw van de politieke unie als efficiënte "behoeder" van de monetaire houdt in dat er ook automatismen zullen moeten gecreëerd worden inzake budgettaire transfers naar noodlijdende landen. Nu komen die transfers er ook maar slechts na lange, pijnlijke en vaak diepe wonden slaande politieke onderhandelingen (denk bijvoorbeeld aan de Griekse lijdensweg). Automatische transfers houden evenwel ook in dat er automatisch inperking van de nationale soevereiniteit intreedt eens men de gemeenschappelijke potten begint aan te spreken.

Ten tweede dient iedereen onder ogen te zien dat de keuze voor een gemeenschappelijke munt ook een keuze voor meer flexibele arbeidsmarkten inhoudt. Dit is een Siamese tweeling. Waarom? Omdat intrede in een monetaire unie betekent dat je als land twee belangrijke hefbomen voor uw economisch beleid uit handen geeft, nl. de rentevoeten (bepaald door de ECB) en de wisselkoers (die in euro-verband gewoon ophoudt te bestaan). Toch blijft er een grote behoefte aan aanpassingsvermogen voor de economie. Binnen een monetaire unie moet voornamelijk via flexibelere arbeidsmarkten dat aanpassingsvermogen intact gehouden worden. Duitsland is zowat het enige euroland dat van bij de start die les goed begrepen had en vooral daardoor vandaag sociaal-economisch aan de top staat in het eurogebied.

De ECB voert vandaag een beleid waarin het bij elkaar houden van de eurozone het alles dominerende objectief uitmaakt. De jongste maanden lukt dat vrij goed maar de ECB kan onmogelijk voor een politieke unie en/of flexibelere arbeidsmarkten zorgen. Die kunnen er enkel komen via politieke beslissingen die een historische overdracht van nationale bevoegdheden naar het Europese niveau vorm zullen moeten geven. ECB-voorzitter Mario Draghi roept begrijpelijkerwijze zonder verpozen de politici op om hun verantwoordelijkheid te nemen. Hij weet immers beter dan wie ook dat als hij enkel met zijn eigen wapens kan strijden hij vroeg of laat in het zand zal bijten.

De bankencrisis

Alhoewel we hier eigenlijk van het Europese niveau naar het mondiale verhuizen (of toch minstens naar het niveau van het geheel van de geïndustrialiseerde landen), bestaan er zeker ook binnen de Europese dimensie mogelijkheden om dit aanslepende probleem aan te pakken. Er mag daarbij niet uit het oog verloren worden dat een goed werkend bancair en financieel systeem absoluut noodzakelijk is om tot een goed draaiend sociaal-economisch model te komen. Financiële instellingen moeten er in essentie voor zorgen dat slapende kapitalen omgezet worden in productieve investeringen. De efficiëntie van die transformatie is van wezenlijk belang voor welvaart en tewerkstelling.

Het grote euvel waar het Europese en mondiale bancaire systeem blijft aan lijden, is dat er te veel banken zijn met de kenmerken van too big to fail. Zij wegen zwaar op de publieke financiën in geval van problemen en gedragen zich onvermijdelijk op een manier die de kans op problemen voor de maatschappij als geheel sterk verhogen. Too big to fail is too big. Punt. We hebben behoefte aan kleinere en veel beter gekapitaliseerde banken, daar gaat het in essentie om.

De nieuwe Basel-normen voorzien een kapitaalratio voor de banken van 8%. Dat is veel te weinig. 15% ligt al veel meer in de buurt van wat nodig is om over stabiele, maatschappelijk duurzaam productieve banken te kunnen beschikken. De overmatige, maatschappelijk nauwelijks productieve groei van banken kan afgeremd worden door de kapitaalverplichtingen ook in % verder te laten oplopen naarmate een bank groter wordt: hoe groter, hoe verhoudingsgewijs meer kapitaal. Daardoor zullen banken veel beter bestand zijn tegen mogelijke verliezen en andere calamiteiten. De kreet dat krediet dan veel duurder zal worden, is hooguit zeer gedeeltelijk waar, op voorwaarde dat de concurrentie voldoende kan spelen. En dan nog: de kost van de opkuis die regelmatig dient te gebeuren als de maatschappij moet inspringen om systemische banken te redden weegt zeker niet op tegen de eventuele meerkost van het krediet.

Gegeven de omvang van de problemen die zich vandaag op Belgisch en Europees, en zelfs mondiaal, niveau voordoen, kan de beschrijving van een plan B uiteraard niet exhaustief zijn. Toch mag uit het voorgaande afdoende blijken dat er onze bewindslui een haast onmogelijke taak wacht. The dead hand from the past van Thomas Jefferson is dezer dagen acuut aan de orde: schuldig verzuim van voorgaande generaties bewindvoerders (in beperkte mate trouwens nog wel aanwezig in de huidige generatie) speelde een belangrijke rol in de escalatie van de problemen.

We beseffen zeer goed dat veel van de door ons noodzakelijke geachte ingrepen om het tij ten gronde te keren in de huidige Belgische en Europese politieke constellatie geen haalbare kaart vormen. Deze vaststelling mag en kan geen beletsel zijn om die ideeën toch naar voren te schuiven. Het politiek haalbare is geen vast gegeven maar een bewegend, zij het vaak zeer traag, fenomeen. Hopelijk zit er snel niet enkel wat meer beweging in maar gaat die beweging ook in de goede richting.

Onze partners