04/10/11 om 13:33 - Bijgewerkt om 13:33

Op naar de volgende fase van de eurocrisis

Ook in de politieke wereld groeit het besef dat er meer geld op tafel moet komen voor het Stabiliteitsfonds.

Afgelopen donderdag keurde het Duitse parlement de besluiten van de Europese top van 21 juli met een overweldigende meerderheid goed. Geheel in de lijn van eerdere Europese besluitvorming over de eurocrisis leidde dat goede nieuws tot kortstondige euforie op de financiële markten. Maar al snel volgde de ontnuchtering. Was een Duits 'nee' een regelrechte ramp geweest, het Duitse 'ja' verzette niet echt de bakens wat de problemen in de eurozone betreft. Twee cruciale bedenkingen dringen zich op.

Eén: achter de grote meerderheid in het Duitse parlement gaat een bijzonder krappe meerderheid in bondskanselier Angela Merkels eigen regeringscoalitie schuil. Zowel in de christendemocratische partij (vooral de Beierse CSU) als in de liberale partij FDP was de weerstand tegen de besluiten van de top van 21 juli groot. De nipte meerderheid in de regeringscoalitie kon enkel worden verkregen via zware beloftes dat Duitsland in zijn financiële engagementen tegenover het geheel van de eurozone geen millimeter verder zou gaan.

Twee: de besluiten van 21 juli zijn nu al door de feiten achterhaald. De Europese leiders kwamen op de top in essentie twee zaken overeen: een tweede reddingsplan voor Griekenland en een bijsturing van de rol van het Stabiliteitsfonds (EFSF, later ESM). Dat fonds zou voortaan rechtstreeks kredieten aan noodlijdende landen kunnen geven, actiever op de obligatiemarkten kunnen interveniëren en kunnen instaan voor de herkapitalisatie van banken in de eurozone.

Wat Griekenland betreft, stellen de afgevaardigden van het IMF al enkele weken klaar en duidelijk dat de 109 miljard euro voorzien in het pakket van 21 juli niet langer volstaan. De recessie houdt zo lelijk huis in Griekenland en de inventiviteit van de Grieken om de ware aard van het gevoerde beleid te verhullen lijkt zo groot, dat het land nu echt compleet bankroet is. (zie ook p.42-44) Europa moet dus weer aan tafel om meer middelen voor de redding van Griekenland vrij te maken.

Wat het Stabilisatiefonds betreft, zijn de markten eensgezind: de voorziene middelen van 440 miljard euro, mogelijk op te trekken tot ruim 700 miljard euro, volstaan niet om crisissituaties met landen als Italië en Spanje te beheersen. Ook in de politieke wereld groeit het besef dat er meer geld op tafel moet komen voor het fonds. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Een eerste mogelijkheid is dat de lidstaten de kapitaalinbreng in het fonds en/of de garanties ten behoeve van het fonds optrekken. Dat is vandaag evenwel onhaalbaar, als men ziet hoeveel moeite het nu al heeft gekost om het Stabiliteitsfonds met zijn huidige middelen op de been te krijgen. Bovendien dreigt daardoor een verlaagde kredietwaardigheid voor alle eurolidstaten, inclusief Duitsland.

De tweede mogelijkheid is het Stabiliteitsfonds vol te stouwen met kredieten van de Europese Centrale Bank (ECB). Maar dat zou in landen als Duitsland en Nederland op enorme tegenstand stuiten. Bovendien zouden de onafhankelijkheid en geloofwaardigheid van de ECB er onherroepelijk door worden aangetast. Zulke evolutie zou een schok zijn voor de sociaaleconomische welvaart van Europa.

Johan Van Overtveldt

Onze partners