Niels Matheve
Opinie

10/06/13 om 16:30 - Bijgewerkt om 16:30

Niels Matheve

Het ballonnetje van Gwendolyn Rutten verdient de nodige aandacht: overbodige politieke grendels wegwerken, is een belangrijke stap naar een vlot functionerende staat.

Open VLD voorzitster Gwendolyn Rutten lanceerde een aantal opvallende ideeën die passen binnen de grote vernieuwingsoperatie bij de Vlaamse liberalen. Eerst verzette ze zich in naam van haar partij tegen de tendens naar confederalisme, twee dagen later ging ze op haar elan verder met de suggestie van een federale kieskring en de afschaffing van de pariteit in de ministerraad. Vooral dat laatste is opvallend. In tegenstelling tot de federale kieskring - een idee dat al langer circuleert - werden tot hiertoe immers nog maar zelden vragen gesteld bij dit nochtans belangrijk politiek gegeven.

Maar waar heeft Rutten het over? De pariteit in de ministerraad is een grondwettelijk verankerde verplichting (artikel 99 uit de grondwet om precies te zijn) die stelt dat elke federale regering uit evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers moet bestaan, uitgezonderd de functie van premier. Een dertienkoppige regering telt dus telkens minstens zes Franstalige en zes Nederlandstalige ministers, ongeacht de partijpolitieke samenstelling van die regering. Dat heeft belangrijke gevolgen. Een federale regering bestaat immers wanneer ze de steun heeft van minstens de helft van alle parlementsleden. De wetgever zegt helemaal niet of de regering een meerderheid moet hebben in beide landsdelen. Het kan dus perfect zijn dat de regering rekent op de steun van vijf Vlaamse en slechts een Waalse partij, maar zelfs dan nog moet de helft van alle ministers Franstalig zijn. De meerderheid mag met andere woorden voor 90% uit Vlamingen bestaan en 10% Franstaligen (of vice versa), de verdeling van de ministermandaten moet in ieder geval 50-50 gebeuren.

Het principe van taalpariteit heeft echter niet altijd bestaan. Het werd ingevoerd bij de grondwetsherziening van 1970 als een beschermingsmechanisme voor de taalminderheden, zowel op federaal vlak als in het Brussels gewest. Op federaal niveau moest het de minorisatie van de Franstaligen beletten, in Brussel die van de Nederlandstaligen. In de respectieve parlementen heeft de ene taalgroep namelijk een duidelijk overwicht over de andere, wat leidt tot de vrees dat die ene taalgroep unilateraal zijn wil zal opleggen aan de andere. Om dat te vermijden, werden alarmbelprocedures voorzien die het bewuste wetsvoorstel doorverwijzen naar de ministerraad, waar door de pariteit wél elke taalgroep gelijk vertegenwoordigd is. Taalpariteit is dus met andere woorden ingevoerd om te beletten dat een taalgroep unilateraal en zonder verder overleg een beleid zou kunnen gaan voeren dat regelrecht ingaat tegen de rechten en belangen van de andere taalgroep.

De vraag is echter of taalpariteit in de ministerraad vandaag nog een noodzakelijke voorwaarde is om die rechten te garanderen. Bij de grondwetsherziening van 1980 werd immers ook het principe van een belangenconflict ingeschreven in het Belgisch staatsrecht. Daarmee kunnen gewesten, gemeenschappen of de federale overheid aangeven dat zij ernstige schade ondervinden door de acties van een ander parlement, waardoor een dialoog tussen beide wordt opgestart. De invoering van het principe van een belangenconflict maakt de noodzaak van een gewaarborgde taalpariteit in de ministerraad in ieder geval al een stuk minder pertinent.

Bovendien is het maar de vraag in hoeverre die grondwettelijke verankering van de taalpariteit werkelijk nodig was. In de periode voor 1970 bestond dat principe immers niet, maar dat belette de partijen niet om zelf een zeker evenwicht na te streven. Zelfs tussen de twee wereldoorlogen, in een periode dat de politieke elite nog sterk gedomineerd werd door Franstalige figuren, bleken ministerportefeuilles bijzonder evenwicht verspreid over Vlaamse, Waalse en Brusselse politici. In totaal gingen toen 136 ministerportefeuilles naar vertegenwoordigers van Vlaamse kieskringen, 118 naar Waalse en 75 naar Brusselse. Geen enkele tussenoorlogse regering kwam bovendien aan de macht zonder minstens twee Vlaamse en twee Waalse ministers in haar rangen. Blijkbaar hadden de partijen tijdens het interbellum dus geen gewaarborgde ministerpariteit nodig om tot een evenwichtige verdeling te komen.

Men mag trouwens niet vergeten dat de communautaire breuklijn slechts één van de drie belangrijke breuklijnen in de Belgische politiek is. Daarnaast spelen ook sociaal-economische en levensbeschouwelijke (vroeger: katholiek vs. vrijzinnig, nu eerder conservatief vs. progressief) tegenstellingen een fundamentele rol in de verdeling van het politieke landschap. Rutten haalde zelf terecht aan dat zij zich op heel wat vlakken ideologisch nauwer verwant voelt met haar collega's van de MR dan met een aantal Vlaamse politici. De gewaarborgde pariteit belet op dat vlak een duidelijke profilering in de regering, omdat er nu eenmaal evenveel ministers uit elke taalgroep moeten zijn. Nochtans zou een coalitie tussen pakweg MR, Open VLD en N-VA (met een groter overwicht in Vlaanderen) of tussen Ecolo, Groen, SP.A en PS (met een groter overwicht in Wallonië) op bepaalde vlakken veel logischer zijn dan een gedwongen evenwicht op taalkundig vlak. Het was die pariteit die N-VA en PS na de verkiezingen van 2010 haast tot elkaar veroordeelde, met de gekende politieke impasse tot gevolg.

In dat opzicht verdient het ballonnetje dat Open VLD voorzitster Rutten heeft opgelaten inderdaad de nodige aandacht. Het wegwerken van de talloze overbodige politieke grendels in het Belgische staatsbestel is een belangrijke stap naar een meer transparante en vlot functionerende staat. Als dat kan zonder te hoeven raken aan de noodzakelijke politieke rechten van bepaalde minderheden, zou dergelijk voorstel minstens op de goodwill moeten kunnen rekenen van elk politicus die de vlotte werking van de staat hoog in het vaandel draagt.

Niels Matheve

Onze partners