24/05/11 om 15:09 - Bijgewerkt om 15:09

Naar de 'Walenpays'

Het pauperisme, de belangrijkste vazal van Leopold I.

Het is goed om nu en dan vooroordelen en halve waarheden bij te sturen. Momenteel loopt in het Gentse Caermersklooster, en dat tot 12 juni, de tentoonstelling Vlaamse migranten in Wallonië. Onder dezelfde titel verscheen bij Lannoo Campus een interessant groepswerk. Tentoonstelling en boek doen een poging tot correctie van het beeld in het collectieve geheugen van de arme Vlaamse dompelaar die in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw noodgedwongen naar Wallonië ging werken en daar niet altijd even fraai werd behandeld. Dat stereotype werd niet zo lang geleden nog ontleed door Yves Quairiaux in L'image du flamand en Wallonie.

Ook Franstalige politici herinneren in deze tijden van communautaire spanningen graag aan de vele Vlaamse migranten die ooit naar Wallonië trokken en daar de kans kregen hun brood te verdienen. Toen liep de solidariteit van zuid naar noord, wordt er dan graag bij verteld.

Wallonië stond in de negentiende eeuw aan de spits van de industrialisering en wedijverde met de sterkste buitenlandse concurrenten. Of de Waalse arbeidersbevolking - en bijgevolg ook de Vlaamse migranten die in grote aantallen naar de Walenpays waren getrokken - daar de volle vruchten van plukten, mag sterk worden betwijfeld. Want dat Wallonië in die jaren een eldorado was voor de hardwerkende Waal klopt al helemaal niet. De lokale mijnbaronnen en staalbazen waren immers niet geneigd hun nieuwe rijkdommen te delen met hun arbeiders.

In 1848 had Karl Marx het in een stuk in de Neue Rheinische Zeitung over 'de modelstaat België met het pauperisme als de belangrijkste vazal van koning Leopold I'. De gegevens die Marx uit het Belgisch Staatsblad plukte over de uitbetaalde bijstand logen er niet om. Voor de grote industriebekkens Luik en Henegouwen waren die cijfers al niet veel rianter dan die voor het verarmde Oost- en West-Vlaanderen.

'Er bestaat', zo schreef Marx wat later, 'slechts één klein land in heel de beschaafde wereld waar het leger wordt gebruikt om met een onnoemelijke gretigheid en boosaardigheid op officiële wijze arbeiders af te slachten.'

Toen in 1883 het jaarsalaris van de Waalse mijnwerkers werd verlaagd van 1006 frank naar 783 frank, beweerde de gewezen minister Eudore Pirmez, aandeelhouder in tal van steenkoolmijnen: 'Het is de situatie van de bezittende klasse die minder goed is. Zij is het die lijdt. Van de kant van de arbeiders worden geen klachten genoteerd.'

Marx zou het verschrikkelijke jaar 1886 niet meer beleven, toen de Belgische regering legergeneraal Alfred Vander Smissen losliet op de stakende arbeiders in de streek van Charleroi, met twintig doden tot gevolg. Vander Smissen ging er prat op nooit waarschuwingsschoten te laten afvuren, want die waren volgens de generaal te gevaarlijk voor omstanders.

Het was heus geen toeval dat uitgerekend in dat jaar de Waalse socialist Alfred Defuisseaux tekende voor de Volkscatechismus met de befaamde aanhef: 'Wie zijt gij? Ik ben een slaaf.'

De Leuvense professor Koen Matthys heeft met zijn medewerkers de negentiende-eeuwse interne migratie in Vlaanderen van het platteland naar de steden en van Vlaanderen naar Wallonië vrij precies in kaart gebracht. Zijn bevindingen illustreren wat voor een pijnlijk proces die industrialisering voor generaties handarbeiders is geweest, zowel voor de Vlamingen die opgejaagd door de landbouwcrisissen hun dorpen verlieten om in steden als Gent en Aalst te gaan werken, als voor hen die de trein naar Wallonië verkozen.

Toen August De Winne in 1901 zijn reportagereeks Door arm Vlaanderen liet verschijnen in Le Peuple, was de Waalse arbeider eigenlijk niet veel beter af. Goed 30 jaar later, in 1933, draaide Henri Storck Misère au Borinage. 'Le déclin wallon' was toen al ingezet. De film is tot op vandaag een beklijvende illustratie van het arme Wallonië, leeggezogen door de grote aandeelhouders van de staal- en steenkoolbedrijven die vaak in Brussel verblijf hielden.

Al die ellende hebben de Vlaamse migranten en seizoenarbeiders solidair gedeeld. Veel meer dan die solidariteit in de misère viel er in die jaren overigens niet te delen - wat Paul Magnette en Laurette Onkelinx ook mogen beweren.

Onze partners