Hubert van Humbeeck
Hubert van Humbeeck
Commentator bij Knack
Opinie

28/03/11 om 15:53 - Bijgewerkt om 15:53

Na de bommen, de democratie

Als kolonel Muammar Khaddafi wordt verslagen, begint het werk pas echt: hoe wordt Libië voorbereid op de toekomst?

Na enkele dagen van intensieve bombardementen keerden de kansen in Libië snel. De troepen van Muammar Khaddafi verloren met hun oorlogsmateriaal ook het geloof dat ze konden winnen. Ze gingen op de loop voor het zootje ongeregeld dat hen vanuit Benghazi achternazit. Maar dat zou nooit zo ver zijn geraakt zonder een brede interpretatie door de westerse coalitie van resolutie 1973 van de Veiligheidsraad. Het verdient nader onderzoek of het beschermen van burgers zich uitstrekt tot het aanvallen van een leger op de vlucht.

De operatie heeft gevolgen tot ver buiten de smalle Libische kustlijn. Als de internationale gemeenschap toestond dat Khaddafi de opstand met geweld neersloeg, betekende dat zo goed als zeker ook het einde van de omwenteling in andere Arabische landen. Als het signaal was dat de autocraten toch hun zin mogen doen, was het moment voor een vreedzame overgang naar een meer democratische samenleving voorbij.

Libië leent zich overigens uitstekend voor de operatie zoals ze wordt uitgevoerd. Om te beginnen heeft Khaddafi aan zijn lange machtsperiode geen vrienden overgehouden, ook niet in de Arabische wereld. Jemen is een slangenkuil, waarin niemand zich graag begeeft. Bahrein is te veel een bondgenoot van het Westen: een interventie daar lag politiek te moeilijk. Tegelijk kunnen luchtaanvallen in het Libische woestijnlandschap ook echt een verschil maken. Het is onwaarschijnlijk dat de coalitie op dezelfde manier te keer zou kunnen gaan in, bijvoorbeeld, Syrië. Toch laat de ingreep van de coalitie zeker ook de Syrische president Bashar Al-Assad nadenken. Hij beloofde vorige weekend dat de noodtoestand wordt opgeheven, die al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw in zijn land van kracht is.

Dat wil niet zeggen dat de strijd is gestreden. De voormalige Egyptische diplomaat Nabil Fahmy waarschuwde vorige week in Brussel voor te veel optimisme. Hij ziet kansen, op middellange termijn. Maar er zullen fouten worden gemaakt en er ligt nog veel werk op de plank. De wijzigingen aan de Egyptische grondwet werden tien dagen geleden, bijvoorbeeld, door 77 procent van de kiezers bij referendum goedgekeurd. Met dien verstande dat minder dan de helft van de kiesgerechtigde bevolking kwam opdagen. Terwijl het, volgens Fahmy, ook gewoon te vroeg was om Egypte nu al over deze grondwet te laten stemmen: nauwelijks enkele weken na de gebeurtenissen op het Tahrirplein hadden partijen niet de tijd om zich te organiseren.

En dan nog staan landen zoals Egypte en Tunesië lichtjaren verder dan Libië, dat slechts in schijn een moderne staat is. De dunne façade van met oliegeld betaald vernis verbergt een lange geschiedenis van gekonkel en strijd tussen 140 stammen en clans. Zeker in Libië moet de dag van morgen daarom zorgvuldig worden voorbereid en begeleid. Voor dat proces van jaren wordt in de eerste plaats, indien niet alleen, op de Europese Unie gerekend. Die wekt niet de indruk dat ze daarover al een moment heeft nagedacht. Als al het gedoe over de operatie zelf een maatstaf mag zijn, hoeft de democratische ontwikkeling in Noord-Afrika op niet al te veel steun te rekenen.

Hubert van Humbeeck

Onze partners