Het laatste interview van Paul Vandenbussche

Paul Vandenbussche, de eerste administrateur-generaal van de toenmalige BRT, is op 90-jarige leeftijd overleden. Hier leest u het laatste interview dat hij gaf aan Knack-directeur Rik Van Cauwelaert.

Paul Vandenbussche, de eerste administrateur-generaal van de toenmalige BRT, is op 90-jarige leeftijd overleden. Hij stond 25 jaar lang aan het hoofd van de openbare omroep.

Hieronder leest u het laatste interview dat hij gaf aan Knack-directeur Rik Van Cauwelaert:

‘EN TOCH WAREN HET MOOIE AVONDEN’

25 jaar lang was Paul Vandenbussche administrateur-generaal van de BRT. En daar is hij nog steeds dankbaar om: ‘Ik heb de mooiste jaren mogen meemaken.’ ‘De invasie van de televisiejournalistiek in het politieke milieu heeft daar in niet geringe mate de zeden en de gewoonten aangetast en veranderd. Is het de informatie van het publiek en de kwaliteit van het politieke gebeuren ten goede gekomen?’

‘Interessant, niet? Hier, pak maar mee’, gebiedt Paul Vandenbussche terwijl hij zijn bezoeker een exemplaar van het tijdschrift Communicatie in de handen stopt. Het blijkt het themanummer Omroep en Informatie uit 1989, helemaal gewijd aan het emeritaat van professor en gewezen administrateur-generaal van de BRT, Paul Vandenbussche. De academische tijding staat bol van de bijdragen van belangrijke commentatoren, zoals voormalig hoofdredacteur van De Standaard, Manu Ruys, die zich blijkens het citaat zorgen maakte over de invasie van de tv-journalistiek, oud-directeur-generaal van de BRT Nic Bal, gewezen voorzitter van de raad van bestuur professor Adriaan Verhulst.

Binnenkort verhuist Paul Vandenbussche van Brussel naar Leuven. Een gewichtige beslissing voor iemand die 82 jaar geleden in Jette, toen nog een landelijke randgemeente van Brussel, werd geboren en altijd in de buurt is blijven wonen. Maar met nauwelijks verholen trots weet hij te melden dat hij in Leuven zijn intrek neemt in de straat waar zijn grote voorbeeld, de historicus Willy Peremans, ooit woonde.

‘Met die verhuis, en rommelend in mijn oude paperassen, heb ik over een en ander zitten nadenken’, mijmert Vandenbussche. ‘Eigenlijk hebben we sedert de stichting van het NIR een technische, een culturele en nu een commerciële periode gekend. Dat kan niet beter worden geïllustreerd dan door de voogdijministers. Aanvankelijk, van 1930 tot 1960, was dat de minister van Verkeerswezen, Post, Telegraaf en Telefoon. Zoals Edward Anseele jr. die in de jaren 1950 nog het grote plan opvatte om in Groenendaal een gigantische zendmast voor heel het land op te trekken. Gelukkig kwam daar niks van in huis. De ingenieurs waren in die dagen de baas. Radio was op de eerste plaats een technische aangelegenheid. Het Flageygebouw, dat gelukkig werd gered, was een meesterwerk van technisch vernuft. Later kreeg de minister van Cultuur de voogdij. En nu deelt de minister van Economische Zaken de lakens uit.’
‘De eerste televisieplannen hebben we allemaal van op een afstand gevolgd’, herinnert Vandenbussche zich. ‘Weinigen zagen toen al de mogelijkheden van het medium. Televisie – in 1954 telde het land nauwelijks enkele duizenden toestellen – was iets voor techneuten.’

‘Met de Wereldtentoonstelling van 1958 was het hele land ineens bereikbaar voor de televisie en kwam de doorbraak. Toen werd duidelijk wat de mogelijkheden waren. Daarom gaf de regering van Gaston Eyskens aan cultuurminister Pierre Harmel de opdracht een nieuwe omroepwet uit te schrijven.’

Geen dictator, wel autoritair Paul Vandenbussche, die als buitenlandverslaggever had gewerkt voor de radio, maakte deel uit van het kabinet van Harmel, als regeringscommissaris voor het NIR.

In 1989 zou Nic Bal daarover in Communicatie schrijven: ‘ Iedereen weet dat de wet-Harmel in werkelijkheid door zijn kabinetsattaché Paul Vandenbussche geconcipieerd was. Deze laatste heeft het unieke voorrecht gehad deze wet te ontwerpen, die hij naar zijn hand kon zetten en zelf, als directeur-generaal van de BRT, mocht uitvoeren of inroepen.’

Vandenbussche, die van 1961 tot 1986 de openbare omroep leidde, zei ooit van zichzelf: ‘Ik ben geen dictator, maar wel autoritair.’ Niemand heeft ooit getracht die bewering te ontkrachten.

Tot vandaag geniet hij na van zijn aanvaringen met en zijn provocaties van de progressief gestemde journalisten van de BRT-nieuwsredactie.

‘Onlangs las ik nog een interview met Jos Bouveroux: “Toch heb ik geen spijt van mijn marxistische opleiding.” Nog altijd niet geleerd, hè. Stel je dat eens voor: Frankske Vandenbroucke, oud-trotskist, Revolutionaire Arbeidersliga. Bon, hij is nu wel genezen van die aandoening, maar hij heeft zijn vader toch wreed doen afzien. En die kwamen allemaal van Leuven; geen enkele universiteit heeft meer trotskisten en maoïsten geproduceerd.’

‘En al die progressieve journalisten, die leiden nu ineens aan geheugenverlies. En flexibel dat die zijn! Niemand heeft zich sneller ingeschreven in de commercialisering van de televisie dan die generatie.’

De objectiviteit van het gesproken dagblad, en later van het tv-journaal, heeft altijd tot orgelende discussies geleid. Het was niet anders in 1927 toen Théo Fleischmann, een briljant causeur, het Journal parlé invoerde.

‘Toen al was er groot wantrouwen’, weet Vandenbussche. ‘Daarom stond er in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van de eerste omroepwet van 1930 letterlijk: ” De informatie zal laconisch worden verstrekt.” Zo stond het er: zo bondig mogelijk. Het was, niet te vergeten, een liberaal minister, Pierre Forthomme, die dat op papier liet zetten. Toch ironisch, dat een liberaal minister de auteur is van de eerste omroepwet en dat het de liberalen zijn die het BRT-monopolie hebben afgebroken?’

‘De wet van 1960 gaf de BRT haar autonomie, ook in de berichtgeving’, benadrukt Vandenbussche. ‘Het nieuwe decreet is een capitulatie – ik heb het nog tegen Eric Van Rompuy gezegd: je gaat de slechte kant op. Ik herinner me een staking van de nieuwsdienst omdat wijlen Frans Van Mechelen, cultuurminister, een project had toegelicht op het radiojournaal van één uur. En zie: het journaal is nu een stoet van ministers. Ze hebben het me verteld: tijdens de tweede dioxinecrisis zat de kabinetschef van de premier als het ware op de redactie. We zitten weer in de tijd van Achille Van Acker en van de regeringsvertegenwoordiger Gust De Muynck. De Muynck, dat was een super-directeur-generaal. Die had een auto met chauffeur en hield permanent kantoor in het omroepgebouw. Een kwartier voor het journaal daalde hij af naar de redactie en met een rood potlood schrapte hij alles was hij niet voor uitzending geschikt achtte. Ik was in Parijs toen het Franse parlement de Europese defensiegemeenschap wegstemde. Toen ik daarover een bericht naar Brussel wilde doorbellen, zei De Muynck: “Gaat niet door, Vandenbussche heeft daarvoor geen toestemming.” Het schijnt dat het weer zo ver is: er is geen enkele afstand meer tussen de redactie en de ministeriële kabinetten.’

Toch een slechte wet!

Paul Vandenbussche wilde destijds de komst van een commerciële zender, de latere VTM, verhinderen, door een derde net te installeren, naar Brits model. De publieke omroep zou gefinancierd worden door het kijk- en luistergeld, het derde net door reclame.

‘Van de mensen van RTL wist ik dat tv-reclame in Wallonië en Brussel drie miljard frank opleverde’, vertelt Vandenbussche. ‘Je moest geen slimmerik zijn om te berekenen dat dit in Vlaanderen tot vijf miljard kon oplopen. Ik botste daar met Jan Merckx van TV-Ekspress die later VTM zou lanceren. Volgens hem bracht die reclame hooguit achthonderd miljoen op. “Mijn staf heeft dat berekend”, beweerde hij. Waarop ik antwoordde: “Jan, ofwel ken je je vak niet, of je liegt. ” VTM heeft naderhand bewezen dat ik gelijk had.’

‘De krantenuitgevers hebben dat plan gesaboteerd. Ik heb nog vergaderd op het kabinet van Paula D’Hondt met de krantenuitgevers. De bijeenkomst was georganiseerd door haar kabinetschef, de nu welbekende Etienne Schouppe. De krantenbazen kwamen daar een beetje de armoedzaaiers spelen. Ik herinner me ook een diner waar ik naast Guy Verhofstadt zat. Hij zei me rechtuit: “Vandenbussche, je mag je Engels model vergeten.” Toen wist ik hoe laat het was.’

‘In mijn laatste nieuwjaarstoespraak, in januari 1986, sprak ik over “sommige kleinmoedige krantenuitgevers”. Jongens, ineens was het kot te klein. Adriaan Verhulst van de raad van bestuur heeft me dat altijd kwalijk genomen.’

De komst van VTM heeft een revolutie ontketend, geeft Vandenbussche toe. ‘Maar toch is het een slechte wet’, houdt hij vol. ‘Als je ziet wat er allemaal verloren is gegaan. De BRT had een symfonisch orkest, een jazzorkest, een eigen koor. Elk jaar maakten we een eigen jeugdfeuilleton. De dramadienst onder Hubert Van Herreweghen, dat was toch wonderlijk? Er was de samenwerking met Nederland. We kochten de volledige Shakespeare-cyclus van de BBC, de Wagner-Ring. Stel je voor: ooit zonden we een debat uit tussen Sicco Mansholt van de Club van Rome en de Franse filosoof Raymond Aron, gemodereerd door de jonge Mark Eyskens. Dat zou je nu eens moeten voorstellen. En toch waren het mooie avonden. Ik prijs mezelf gelukkig, omdat ik de mooiste van de drie periodes mocht beleven.’

Rik Van Cauwelaert Uit Knack van 27 augustus 2003

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content