16/11/10 om 09:54 - Bijgewerkt om 09:54

Liebaers

Te laat besefte Herman Liebaers dat hij nooit 'één van hen' zou zijn.

'Er zijn twee instellingen waarvan nooit erkentelijkheid, laat staan dankbaarheid moet worden verwacht: Mechelen en Laken.' Het is de uitspraak van een oude senator. De vorige week overleden eregrootmaarschalk Herman Liebaers dacht dat de erkentelijkheid van het koningshuis hem voor het leven gegarandeerd was. Het bekwam hem slecht.

In de nazomer van 1991, tien jaar na zijn vertrek als hofmaarschalk, zou een openhartig gesprek met de krant De Morgen over zijn ervaringen aan het hof van deze puntige raconteur in één klap een sociale paria, een non-person maken. Nog goed dat de krant die zijn ondergang werd zijn dood meldde, zo niet was in deze 'dijzige' novemberdagen de dood van de 91-jarige Liebaers wellicht onopgemerkt gebleven.

Liebaers was in 1974 naar het hof gehaald om de door Franstalige hofmeiers omringde koning Boudewijn meer aansluiting te doen krijgen de Vlaamse publieke opinie. En hij slaagde daar als grootmaarschalk, die de binnen- en buitenlandse agenda van de koning stuurt, ook aardig in.

De recente overstromingen en de menselijke en materiële ellende die daarmee gepaard gaan, roepen onwillekeurig herinneringen op aan de dijkbreuk die tijdens de nieuwjaarsdagen van 1976 Ruisbroek onder water zette. Liebaers was een van de hofdignitarissen die koning Boudewijn aanspoorde om het overstroomde Rupelgebied te gaan bezoeken. Het zou een gedenkwaardig bezoek worden: de vorst fungeerde heel gewillig als klankbord voor de lokale volkswoede over de verregaande nonchalance van de Belgische overheid die de waterramp had veroorzaakt.

Lange tijd koesterde Liebaers zich in de vermeende vriendschap van Boudewijn. Alleen: monarchen hebben geen vrienden. Bovendien hoorde Liebaers door zijn afkomst niet tot de kringen die doorgaans deel uitmaken van de koninklijke entourage. Pas toen het te laat was, besefte Herman Liebaers dat hij nooit 'een van hen' zou zijn. En ze hebben hem dat na zijn loslippigheid in De Morgen ook laten voelen.

De hoogste onderscheiding die hem ooit te beurt viel, kreeg Herman Liebaers van Robert Escarpit, de scherpzinnige chroniqueur van Le Monde. Escarpit promoveerde Liebaers tot Maréchal du Livre. En die eretitel zat de lettervriend Liebaers als gegoten. Want hij was de man die de Koninklijke Bibliotheek in Brussel internationale faam bezorgde.

Bibliofielen dragen Liebaers daarom in hun hart. Zijn werk over de dichteres Hélène Swarth, 'het zingend hart van Nederland', blijft nog altijd overeind. En een beetje liefhebber van de Nederlandse literatuur koestert de veilingcatalogus van de bibliotheek van Fernand Toussaint van Boelaere die hij redigeerde in opdracht van de Brusselse antiquaar Paul van der Perre. De catalogi die onder zijn beheer door de Koninklijke Bibliotheek werden gepubliceerd, blijven niet alleen hier maar ook in het buitenland gezaghebbende referentiewerken.

Als conservator eiste en kreeg Liebaers de middelen die hij nodig had. Hij werd alom geëerd en beluisterd om zijn expertise.

Dat hij in 1974 door de koning als hofmaarschalk werd aangezocht, was het gevolg van zijn opmerkelijke werk als conservator en van zijn brede, internationale kennissenkring. Vooral dat laatste was van belang. Want Herman Liebaers was meestal van de partij wanneer de regering of het hof een belangrijke buitenlandse bezoeker aan tafel noodde. Als meester in de conversatiekunst maakte hij steevast grote indruk op die hoge gasten, zoals de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith, die hem in een van zijn reminiscenties opvoerde.

Voor iemand die graag beweerde dat 'wie buitenkerkelijk is opgevoed, kansarm is in Vlaanderen' kon Herman Liebaers, geboren in 1919 uit een Tienens socialistisch en buitenkerkelijk nest, op een briljante carrière terugblikken. In 1955, onder de regering van Achille Van Acker, werd hij benoemd tot hoofdconservator van de Koninklijke Bibliotheek.

Eigenlijk wou hij aanvankelijk de journalistiek in, net als zijn vrouw, die bij Het Laatste Nieuws de jeugdpagina Pum-Pum volschreef. Gelukkig werd de bibliotheek zijn uitverkoren werkterrein. Als hoofdconservator heeft hij in het belang van de bibliotheek de wereld rondgereisd. Als de notoire New Yorkse antiquaar Hans P. Kraus al eens in Brussel afstapte, zou hij nooit de stad verlaten zonder eerst uitgebreid te lunchen of te dineren met Liebaers. Niet zelden leidden deze ontmoetingen tot een fabelachtige verrijking van de réserve précieuse van de Koninklijke Bibliotheek.

Na zijn ontslag als grootmaarschalk werd Liebaers benoemd tot Koninklijk Commissaris voor de Herstructurering van de Nationale Wetenschappelijke Instellingen. Hij zag zich graag als een Louis Camu, de grote hervormer van 's lands ambtenarij. Maar die confrontaties met de politiek, die het doorwrochte eindverslag dat hij in 1984 deponeerde verticaal klasseerde, werd zijn grootste frustratie.

Dit belangrijke deel van zijn leven bleef vorige week onderbelicht in de overlijdensberichten, waarin vooral de nadruk werd gelegd op de hem fataal geworden uitspraak - 'Hij kan het niet' - over kroonprins Filip. Om dat ene zinnetje - dat nog waar was ook - heeft het Belgische establishment, altijd tot lakeidom bereid als het gaat om het hof, Liebaers uitgesloten. Bij de dood van Boudewijn werd Liebaers dan ook verplicht plaats te nemen in de eindeloze rij wachtenden om de man die hij ooit als zijn vriend had beschouwd een laatste groet te brengen. Liebaers getuigde van grote superioriteit door in die rij te gaan staan.

Uiteindelijk zijn alleen zijn boekenvrienden Liebaers oprecht blijven waarderen. Omdat boeken nu eenmaal belangrijker zijn dan een koning.

Rik Van Cauwelaert

Onze partners