Rudi Rotthier
Rudi Rotthier
Correspondent voor Knack.be in Noord-Amerika.
Opinie

04/10/10 om 13:36 - Bijgewerkt om 13:36

Kleur

Het is ver gekomen als je bij schuldslaven vrolijkheid moet zoeken.

Kleur

© Rudi Rotthier

Ik trok de voorbije dagen door enkele van de armste gebieden in Pakistan, de buurt rond de steden Mithi en Hyderabad (zie ook Knack van 6-10), en toch was die trip in zekere zin een verademing.

De mensen, hindoes, gingen veelkleurig gekleed, als verschillend van het toenemende zwart van het noorden van Pakistan. Ze leken hun leven, hoe belabberd ook, te omhelzen en het niet op een veilige afstand te houden. Het is ver gekomen als je bij schuldslaven vrolijkheid moet zoeken.

Sindh, de zuidelijke provincie, wil zich hoe dan ook graag onderscheiden van het sombere, meer religieuze noorden. Mannen pochen hier over hun liefjes (mijn gids maakt gebruik van de trip om er te bezoeken), ze drinken en roken. Maar ook hier is een strengere vorm van religie in opmars.

Een journalist, hindoe, vertelt dat de pers tot enkele jaren geleden een religievrij bastion was, waar moslims hem aanporden whisky naar het werk mee te brengen, omdat het in Pakistan voor niet-moslims iets makkelijker is om alcohol te kopen.

Tegenwoordig, zegt hij, hebben die drinkebroers van weleer hun baard laten staan en praten ze met misprijzen over het verval van zeden. Het is, vindt hij, beangstigend hoe de dingen volgens een onzichtbare wetmatigheid lijken te veranderen. Je hebt dus aan de ene kant mannen, ook moslims, die te koop lopen met hun al dan niet verzonnen aantal vriendinnen (de vrouwen doen in afwachting van een gearrangeerd huwelijk ervaring op), en aan de andere kant mannen die niet liever zouden dan de vrouwen in kwestie tuchtigen.

En die tweede categorie is nu ook in de perswereld sterk vertegenwoordigd. De journalist werkt in Hyderabad waar de verhoudingen tussen hindoes en moslims meestal relatief ontspannen waren, maar tegenwoordig, zegt hij, word je als hindoe toch vaak als een zondaar beschouwt, en met enige misprijzen bejegend. Een onmiskenbaar misprijzen.

In het station van Daewoo, de luxebusmaatschappij van Pakistan, zie ik hoe een gladgeschoren man van rond de vijftig zijn buurkoppel vermanend toespreekt. Het koppel is jonger, er is maar een beschikbaar zitje en dat bevindt zich naast de ongesluierde vrouw. De oudere man vindt het onbetamelijk om naast een hem onbekende vrouw te plaats te nemen. De jongeman wisselt van plaats met zijn zus, vriendin of echtgenote, maar zijn buur blijft, over hem heen, de vrouw monsteren, toont afkeuring en ergernis als ze praat, en nog fellere afkeuring, met sceptisch geheven wenkbrauwen, en felle zuchten, als ze lacht. Hij ontspant pas als het duo met een bus vertrekt.

Dergelijke ergernis, en de drang om vrouwen en hun uitdrukking terug te dringen naar onzichtbare plaatsen, is natuurlijk alleen mogelijk voor een middenklasse. Gegoede vrouwen rijden rond met hun chauffeur. Arme vrouwen zijn om den brode wel verplicht buiten te komen en zich te tonen. Ik vermoed dat de oudere man in het wachtlokaal zich ergert aan het feit dat een vrouw die economisch in staat moet zijn in opsluiting te leven toch naar buiten komt.

Rudi Rotthier

Met dank aan Fonds Pascal Decroos



Onze partners