Leo Neels
Leo Neels
Docent Mediarecht aan de K.U. Leuven en UAntwerpen en algemeen directeur van de denktank Itinera.
Opinie

12/08/11 om 13:55 - Bijgewerkt om 13:55

Kijkjournalistiek

224 jaar geleden startten onderhandelingen die de grondslag zouden leggen van een krachtige parlementaire democratie, de Verenigde Staten van Amerika.

De onderhandelaars zonderden zich tijdens de Grondwettelijke Conventie geheel af, en legden de deelnemers spreekverbod op: totale informatiestop!

Men wenste absoluut te voorkomen dat elementen van de onderhandelingen in de bladen zouden uitlekken, om te vermijden dat de gemoedsrust van de publieke opinie zou worden verstoord door premature speculaties. Weliswaar gaf de totale black out ook aanleiding tot wilde geruchten, doch de Framers verdedigden krachtig hun besluit om hun gesprekken af te schermen van de bladen en de publieke opinie.

Immers, zo luidde de verantwoording, de meningsverschillen waren zo diep en opinies lagen zo ver uit elkaar dat men tijd nodig had om vrij van gedachten te wisselen, achter gesloten deuren.

Men wilde vermijden dat deelnemers zich eerst publiek op hun stellingen zouden vastzetten, zodat ze tijdens de gesprekken moeilijk anders zouden kunnen doen dan consistent hun standpunten herhalen: een opeenvolging van monologen, niet noodzakelijk onderhandelingen. Bij geheime besprekingen daarentegen zou niemand zich gedwongen voelen zijn mening langer te verdedigen wanneer hij zelf niet meer geloofde in haar geschiktheid of waarheidsgehalte; men zou meer open staan voor de kracht van het argument van de andere en het tegensprekelijk debat tussen degenen die ertoe doen. James Madison, één van de Founding Fathers, co-auteur van de Amerikaanse Grondwet en latere President van de V.S., voerde zelfs aan dat de Conventie nooit een Grondwet zou hebben opgeleverd mochten de debatten openbaar zijn geweest.

De bakermat van de democratie, de Constitutionele Conventie, werd dus ver weg gehouden van het demos, omdat toen al - we schrijven 1787 (sic!) - werd aangenomen dat het publiek nu eenmaal gevaarlijk vatbaar was voor demagogie. Misschien leerde de methode ook het verschil tussen een verzameling van voordrachten van tegenstrijdige stellingen en negotiatie: geen democratie zonder compromis. Gabriel Schoenfeld analyseert in zijn analyse van de balans tussen openheid en beslotenheid (Necessary Secrets, 2010) de succesvoorwaarden van de Constitutional Convention: zonder geheimhouding van de deliberaties zou de herrie van partijstrijd elk behoorlijk resultaat hebben belet, zelfs openbaarmaking achteraf zou aanleiding gegeven hebben tot beledigende tirades, en gelekte voorstellen zouden direct zijn afgeschoten met valse beschuldigingen en intentieprocessen.

Democratie - legitieme, tijdelijke en verantwoordingsplichtige uitoefening van bevoegdheden - rust op informed consent van de burgers; en informed consent vergt informatie en transparantie. Met de Verlichting verdampte de evidentie van geheimhouding, ten voordele van openbaarheid. Hoe zouden immers de kiezers anders hun stem zinvol kunnen uitbrengen? "Geheimhouding is een instrument van samenzweerders, het kan geen beginsel zijn van een normale regering", aldus Jeremy Bentham. Deze grondslag is nochtans minder axiomatisch dan vaak wordt vermoed: al snel werd plaats gemaakt voor uitzonderingen, zoals beperkingen om te voorkomen dat "vijanden van de democratie" voordeel zouden halen uit de transparantie van de nieuwlichters. Regels, aldus nog Jeremy Bentham, functioneren slechts in rustige omstandigheden, je kan ook geen goede regels maken in een klimaat van verwarring en risico. De Amerikaanse Grondwetgever beoogde aanmerkelijke inhoudelijke vooruitgang, en greep daarvoor terug naar het concept van geheimhouding van de onderhandeling als noodzakelijke voorwaarde.

Vandaag worstelen zowel media als politici met dezelfde existentiële vragen over wat wijsheid is inzake transparantie, maar hun register van antwoorden is veel beperkter. Maximale publiciteit werd een compromisloos axioma. Van politici omdat ze aannemen dat ze voortdurend hun verbale kracht moeten tonen, en van media omdat ze elk detail willen uitbrengen voor hun concurrent het heeft. Houden beide métiers elkaar aldus in een dodelijke wederzijdse omhelzing? Dat kan in de weg staan van het bereiken van resultaat; politiek en journalistiek vervellen dan tot l'art pour l'art.

Leo Neels Mediarecht ULeuven en UAntwerpen

Onze partners