Leo Neels
Leo Neels
Docent Mediarecht aan de K.U. Leuven en UAntwerpen en algemeen directeur van de denktank Itinera.
Opinie

18/07/11 om 06:47 - Bijgewerkt om 06:47

Journalistieke stalking

Men heeft ten onrechte aangenomen dat sensatiepers ten opzichte van publieke personen en vedetten altijd maar verder mocht gaan.

Media missen soms veel. Vlaamse media waren verblind door L&H-succes, het bedrog werd uiteindelijk in een Amerikaanse krant aan het licht gebracht. Politieke media zagen noch het Islam-fundamentalisme en -terrorisme aankomen, noch de nieuwe Chinese economie, noch de Arabische lente. Economische media hadden destijds de dotcom-bubbel vol gebakken lucht gecommentarieerd toen de hele ballon leegliep voor ze er erg in hadden.

Financiële media misten de bankencrisis totaal, zelfs nog toen topeconoom Nouriel Roubini ervoor waarschuwde: "Asleep at the Wheel, head in the clouds", zo keek de Financial Times zeer zelfkritisch terug (Lionel BARBER, A flawed First draft of history, 21 april 2009). Barber zag wel veel aandacht voor de razendsnel stijgende huizenprijzen, dat was een makkelijk en dus journalistiek interessant gegeven, doch de analyse faalde. Te veel aandacht voor "a good news story", op veilige afstand van potentiële adverteerders - aldus niet een of andere mediakritische zeloot, doch de editor van de FT zelf.

Ook nu weer krijgen we "a good news story" over de mogelijke implosie van de Murdoch-bubble - 9 jaar (!) nadat één van hun Britse tabloids de voicemail van een vermoorde tiener hackte: negen jaar! Alle dagen wel iets, veel terugblik, veel speculatie. Waar waren de media tussen 2002 en 2011? The Guardian heeft al die tijd fors aandacht besteed aan de afwijkende journalistieke praktijken van de Murdoch-tabloïds: Daily Mirror, Sunday Mirror en news of the World - aldus The Guardian - betalen Van Zwam-detectives ("private gumshoes") om politielui om te kopen en communicaties af te luisteren. De schokkende analyse van The Guardian werd door ernstige media afgedaan als concurrentiële naijver.

Britse politici schurkten zich dicht tegen de tabloïds aan, het was goed voor hun imago en voor de volgende verkiezingen. Thatcher, Major, Blair, Brown, Cameron: kind aan huis bij Murdoch en zijn hoofdredacteurs en -redactrices. Tony Blair is opvallend in dit rijtje. Net zolang hij aan de macht was liet hij zich de tabloïde aandacht welgevallen, hij belde op kritische tijdstippen met Murdoch en andere media-tycoons (The Guardian, 19 juli 2007). Bij zijn aftreden, op 12 juni 2007 in zijn Reuters-speech, kwalificeerde hij de media als "a feral beast obsessed with impact": wilde beesten.

Bij de start van zijn rijkelijke internationale en lezingen-loopbaan zag hij plotsklaps de behoefte "to get beyond the immediate headlines on issues of the day and comtemplate in a broader perspective": zaken waarmee hij redelijk goed vertrouwd was, als de werkgever van spinner Alistair Campbell, die moest aftreden toen de regering-Blair ervan werd beschuldigd een rapport over de zgn. weapons of mass destruction in Irak te hebben gewijzigd (www.the-hutton-inquiry.com).

We weten wel dat de Britse tabloïds worden bekeken als een geval apart. Toch zegt het iets over een vak dat zulke etterbuilen liet doorgaan - naar men beweert om er zich van te onderscheiden. Maar het doet een sector geen goed dat lieden zich op het nobele métier beroepen terwijl ze er de basisregels van schenden, en hun journalistieke privileges aanwenden voor het berokkenen van aanzienlijke reputatieschade en moreel leed, en het plegen van misdrijven. De voorkeur voor zelfregulering heeft eigenlijk niet gewerkt, of moet men na 9 jaar aannemen van wel?

In the Wall Street Journal (14 juli 2011) - die overigens ook tot de Murdochgroep behoort - wijst commentator Holman W. Jenkins jr. er onder de title "Law & order, Fleet Street!" fijntjes op dat het hier niet gaat om aberraties van een of ander individu. Neen, het was een systeem geworden: "Anyone with a functioning nose quickly catches a whiff here of an epochal cross-corruption of tabloid culture, police culture and public standards that's going to prove painful for a lot more institutions than just a few newspaper companies."

Men heeft ten onrechte aangenomen dat sensatiepers ten opzichte van publieke personen en vedetten altijd maar verder mocht gaan: aan hen werd wettelijke bescherming ontzegd op basis van journalistiek privilege tegenover lieden die uit hoofde van hun functie (politici, topsporters, artiesten) of uit hoofde van hun loslippigheid en mediagekte (type "B.V.-s") toch publieke aandacht opzochten en de media bespeelden. De harde les, in de woorden van Jenkins, is dat niemand boven de wet staat, doch ook dat niemand onder de wet staat - ook niet publieke figuren.

Zou daarover nu crisisberaad zijn bij de bladen die, ook bij ons, sms-jes, gelekte mails, weetjes en verzinsels uit het privé-leven van "hun" bekende lieden afdrukken op honderdduizenden exemplaren? Of zouden ze hun fotografen alweer gewoon in de heg hebben verstopt, en blijven hun "redacteurs" de wetenswaardigheden van volgende week lustig verzinnen?

Leo Neels

Onze partners