Rudi Rotthier
Rudi Rotthier
Correspondent voor Knack.be in Noord-Amerika.
Opinie

18/10/10 om 16:08 - Bijgewerkt om 16:08

Joggen in Karimabad

Voor wie een marathon wil voorbereiden: Pakistan is niet het ideale land.

Joggen in Karimabad

© Rudi Rotthier

Als het niet te heet, te druk of te vuil is, zijn de wegen gevaarlijk, vertonen ze gaten en putten, word je aan checkpoints tegengehouden. Zelfs in sportcentra slaag ik er niet in te lopen.

Ofwel moet ik lid worden, ofwel zijn er vips aan het trainen, ofwel zijn er evenementen aan de gang die om veiligheidsredenen niet gestoord mogen worden, ofwel zijn er zoveel belangstellenden die willen weten hoe ik het in mijn hoofd haal te lopen dat ik niet ver kom.

In Hunza, dacht ik, zou dat anders zijn. Het land is gemaakt om te joggen. Langs de irrigatiekanalen liggen bestofte paden die slechts lichtjes hellen. Het is weldadig koel.

Ik volg het pad bergaf, wat een voorzichtig begin lijkt, maar op de een of andere manier speelt de hoogte (2.500 meter) me parten en na een kilometer of zo heb ik krampen in de zij. Dat komt goed uit. Een vrouw wil net het pad op met enkele geiten, die mijn doortocht op het plaatselijk slechts 80 centimeter brede pad blokkeren.

Verkwikt door de minuut rust die de geiten me hebben geboden, loop ik de rest van het pad af, tot ik geen kanaal meer zie. Ik zwenk naar een onverharde, vrij drastisch dalende weg, waarover oude mannen wandelen, die ofwel meewarig het hoofd schudden, ofwel halfspottend doen alsof ze me bewonderen. Misschien een anderhalve kilometer na het oponthoud met de geiten, zie ik hoe een ook vrij bejaarde man me molenwiekend in zijn boomgaard wenkt. Hij lijkt te appreciëren dat ik stop. Gooit me twee appels toe, en vraagt of België hetzelfde is als Brazilië.

Intussen is er van steken in de zij geen sprake meer - hoe zou het kunnen met het oponthoud? Ik kan kiezen, verder bergaf lopen, met het vooruitzicht op een lange klim terug, of de vijfhonderd meter terug en dan een ander traject zoeken. Ik verkies het tweede. Ietwat potsierlijk, met een appel in elke hand, loop ik terug. Aan het kruispunt met het kanaal houdt een scholier met tegen. What is your name? What is your country?

Ik bedenk: hier zit de oplossing voor mijn appelprobleem. We werken ons elk door een van de appels. In mijn geval: de beste appel die ik ooit gegeten heb. Stevig en rijp tegelijk. Niet zoet en niet zuur. Met smaak in elke porie. Volgens de scholier kan ik maar beter een riviertje oversteken en aan de overkant de weg volgen. Hij wijst waar ik het riviertje, zonder mijn voeten nat te maken, over kan. Aan de overkant vind ik een dalende, verharde weg, richting Aliabad.
Na enkele minuten word ik geflankeerd door acht scholieren van wie er twee moeite doen om het even vol te houden: Sean, 10, en Atif (of Asif, hij is zodanig buiten adem dat hij het verschil niet duidelijk kan maken), 8. Om de zoveel tijd zegt Sean me dat het nu wel redelijk is om even te stoppen. Hij is moe, en moet op adem komen.

Jogt hij dan nooit?
Nooit. 'Ik loop als ik voetbal speel, of cricket.'
Of als hij te laat is voor school?
'Neen, dan niet.'

Na een kilometer of twee nemen we de (stijgende) weg terug. Sean is niet blij, en Atif/Asif blaast zodanig dat ik hem probeer te bewegen tot wandelen. 'Alleen als jij ook vertraagt.' Dat is, gelet op het stijgingspercentage, een verleidelijk verzoek. We wisselen af, 500 meter lopen, een minuut stappen. Een moeder of grootmoeder, misschien ouder dan ik, loopt een van de passages van 500 meter met ons mee, tot jolijt van passanten.

Aan het riviertje heeft zich een onverklaarde toename van water voorgedaan, waardoor ik er niet langer over kan. Geen nood, zegt Sean, die me voorgaat, een berg opklautert (hij is moe van het joggen, maar de berg kost hem geen moeite), tot we bovenaan een watervalletje komen waar het riviertje niet breder is dan een meter. Hij brengt me terug tot mijn oorspronkelijk kanaal. Ik loop nu tegen de stroom in, maar het gaat makkelijker dan eerder met de stroom mee.

Alles samen heb ik 45 minuten gelopen, over een totale periode van ongeveer 70 minuten. Mijn schoenen zijn zo bestoft dat ik een spoor achterlaat.

Maar: laat nu die marathon maar komen.

Rudi Rotthier

Met dank aan Fonds Pascal Decroos



Onze partners