08/05/13 om 09:43 - Bijgewerkt om 09:43

Het onopgeloste pensioendebâcle

In lijn met de Europese Commissie pleit de OESO in haar jongste rapport over België voor bijkomende ingrijpende maatregelen op het vlak van pensioenen en vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt.

Het onopgeloste pensioendebâcle

Er is nauwelijks aandacht voor terwijl het over een enorm verschil gaat. Het jongste OESO-rapport over België gaat even dieper in op het verschil inzake schatting van de vergrijzingskosten tussen de regering-Di Rupo en de Europese Commissie. De regering gaat er van uit dat tegen 2060 de demografische evolutie méérkosten met zich zal meebrengen gelijk aan 6% van het BBP. Volgens de Commissie zal het om 8,2% gaan. Uitgedrukt in euro's van 2012 schat de Commissie de bijkomende kosten in op 31 miljard euro, de regering op 23 miljard euro, een verschil van afgerond 35%. Dat is ronduit enorm.

Bijgaande grafiek 1 geeft aan dat de door de Europese Commissie verwachte méérkosten van de vergrijzing zich voornamelijk bij de pensioenen situeren, nl. voor ruim 60% (5,4% is de méérkost in de pensioenen tegenover een totale méérkost van 8,2%). Komen er geen ernstige ingrepen dan ziet de OESO vooral vanaf 2020 de overheidsschuld en dus ook de intrestlasten op die schuld fors escaleren. Het is trouwens lang niet de eerste keer dat instellingen als de OESO zeer nadrukkelijk vragen voor diepgaandere hervormingen in de gezondheidszorg en zeker in de pensioenen. Merk op dat voor Estland, Italië (jawel!), Polen en Denemarken de komende decennia de pensioenlasten als % van het BBP zullen dalen.

Een cruciaal onderdeel van het verschil in kosteninschatting van de vergrijzing tussen de regering-Di Rupo en de Europese Commissie situeert zich bij de beoordeling van de evolutie op de arbeidsmarkt. De regering is daaromtrent veel optimistischer dan de Commissie. Zonder het met evenveel woorden te zeggen, sluit de OESO zich duidelijk aan bij de visie van de Europese Commissie.

Aangaande de evolutie van onze arbeidsmarkt en de gevolgen daarvan voor de vergrijzingskosten, benadrukt de OESO, ook weer lang niet voor de eerste keer, de problematiek van de vervroegde uittreding. Droogjes wordt vastgesteld dat "het Solidariteitspact uit 2005 niet de verwachte impact had op de effectieve pensioenleeftijd".

Grafiek 2 geeft aan dat zowel voor mannen als voor vrouwen in België het verschil tussen de wettelijke en effectieve pensioenleeftijd zeer groot blijft. Qua effectieve pensioenleeftijd blijft België bij de laagste van het OESO-gebied. De OESO pleit zeer uitgesproken voor een verdere snelle afbouw van de diverse mechanismen die vervroegde uittreding nog altijd mogelijk maken.

Johan Van Overtveldt

Onze partners