02/05/12 om 09:20 - Bijgewerkt om 09:20

Het grote gelijk van Johan Vande Lanotte (1) (Johan Van Overtveldt)

Vande Lanotte op 1 mei: correcte analyse, foute aanbeveling.

Het grote gelijk van Johan Vande Lanotte (1) (Johan Van Overtveldt)

© Belga

Ook al beklaagt vicepremier en minister van Economie Johan Vande Lanotte (SP.A) zich geregeld over de manier waarop hij in Knack bekritiseerd wordt, als de man gelijk heeft, zeggen we het ook onverkort. Op 1 mei maakte hij op de VRT-Radio een voor een socialist ongewone maar zeer correcte analyse: om werken aantrekkelijker te maken, moet het verschil tussen nettoloon en uitkering omhoog. Met zijn aanbeveling rond dit probleem, namelijk die grotere afstand creëeren via een verhoging van de minimumlonen, zit Vande Lanotte echter fout.

Een verhoging van het wettelijk opgelegd minimumloon klinkt als een heel sociale maatregel maar blijkt dat bij nader toezien helemaal niet te zijn. Het minimumloon speelt per definitie vooral onderaan in de arbeidsmarkt, namelijk voor de niet of nauwelijks geschoolden onder de Belgische werknemers. Het wettelijk opgelegd minimumloon ligt eveneens per definitie boven het loonniveau dat spontaan in de markt tot stand zou komen, anders zou het geen enkele zin hebben om dat niveau van minimumloon op te leggen.

De economische realiteit van het wettelijk opgelegd minimumloon is dat het voor werkgevers een kost oplegt die niet in verhouding staat tot de productiviteit van de betrokken werknemers. Dit is geen waardeoordeel maar een analytische vaststelling. Het gevolg van een wettelijk opgelegd minimumloon is dan ook dat het de kans op een job voor een niet of nauwelijks geschoolde drastisch vermindert. Hoge minimumlonen zijn één van de mechanismen die minder geschoolden in de langdurige werkloosheid dringen.

Ons land kent binnen Europa al één van de hoogste niveaus van wettelijk opgelegd minimumloon, het nog verder optrekken zal de structurele werkloosheid en de marginalisering van minder geschoolden verder aanzwengelen.

Een sociaal zowel als economisch veel efficiëntere manier om het beoogde doel, namelijk verhoogde werkprikkels door een grotere afstand tussen netto loon en uitkering, te bereiken, is het optrekken van het fiscaal vrijgesteld loongedeelte. Een groter stuk van het bruto-loon wordt niet belast, een aanpak die men in functie van de hoogte van het bruto-loon trouwens verder kan moduleren en nuanceren. Via hogere fiscale vrijstelling verhoogt men bij ongewijzigd bruto-loon en met dezelfde loonkost het netto-beschikbaar inkomen.

Procentueel gebeurt dat dan trouwens het meest uitgesproken bij de laagste lonen waardoor inderdaad de prikkel tot werken aanzienlijk aangescherpt wordt. Uiteraard zou zulk een ingreep geld kosten aan de schatkist. Maar dat zullen hogere minimumlonen ook doen onder de vorm van meer werkloosheidsuitkeringen en gederfde ontvangsten voor de sociale zekerheid.

Onze partners