26/07/11 om 14:38 - Bijgewerkt om 14:38

Grijze baard

De Studiecommissie voor de Vergrijzing moet opletten dat ze relevant blijft voor het beleid.

In haar tiende jaarverslag voorspelt de Studiecommissie voor de Vergrijzing voor het eerst een daling van de extra uitgaven - het gaat dan over de pensioenen en de gezondheidszorg - als gevolg van de veroudering van de bevolking. Volgens de prognose zouden die uitgaven tegen 2060 goed zijn voor 5,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp), of een half procent minder dan in het vorige jaarverslag van de Studiecommissie. Dat komt overeen met bijna 20 miljard euro, of ongeveer evenveel als de inspanning die nodig is om de overheidsbegroting over vier jaar weer in evenwicht te krijgen.

Voor de mogelijke daling van de uitgaven voor vergrijzing baseert de Studiecommissie zich op gunstige demografische ontwikkelingen. Er worden opnieuw meer kinderen geboren en het migratiesaldo is positief. Daardoor verbetert de verhouding tussen de beroepsbevolking (15 tot 64 jaar) en de groep van de 65-plussers. En dat zorgt ervoor we een kleiner aandeel van onze welvaart moeten aanspreken voor sociale uitgaven.

Tot daar het goede nieuws. De vraag is echter of het optimisme van de Studiecommissie gerechtvaardigd is. Zo gaat ze er kennelijk van uit dat een grotere beroepsbevolking automatisch inhoudt dat meer mensen aan het werk zullen zijn. Cijfers over bijvoorbeeld de werkgelegenheid en werkloosheid bij migranten of mensen met een allochtone achtergrond spreken dat nochtans al langer dan vandaag tegen. Op basis van inzichten over de afgelopen decennia hebben economen ook grote twijfels bij de realiteitswaarde van de gunstige hypotheses die de Studiecommissie hanteert voor de werkloosheid (8 procent) en de productiviteit van de werkende bevolking (plus 1,5 procent per jaar). Merkwaardig in haar tiende jaarverslag is bovendien dat simulaties over de effecten van het verhogen van de werkelijke pensioenleeftijd (de Studiecommissie raamt die tegen 2060 (!) op 61,3 jaar en blijft daarmee ruim onder de Europese agenda voor 2020) niet meteen een aansporing zijn om het pensioendossier met ingrijpende hervormingen aan te pakken.

Door haar terughoudende en al te academische opstelling krijgt de Studiecommissie voor Vergrijzing stilaan zelf een grijze baard en dreigt ze haar relevantie voor het beleid te verliezen. Niemand verwacht dat ze een glazen bol heeft en perfect de evolutie van de economie en het sociale beleid van de overheid kan inschatten. Maar het verschil dat in tien jaarverslagen voor de extra uitgaven voor de vergrijzing wordt genoteerd voor de periode 2000-2010 moet wel een ernstige les zijn: in 2002 verwachte de Studiecommissie eerst nog een daling en daarna slechts een lichte toename van die uitgaven; in werkelijkheid namen de kosten aanzienlijk toe door verhogingen van de sociale uitkeringen, het Generatiepact, dat een welvaartsaanpassing van diezelfde uitkeringen invoerde, en door de economische crisis vanaf het najaar van 2008.

De Studiecommissie voor vergrijzing hoeft niet overdreven zwartgallig te zijn, maar ze moet de politiek ook geen alibi aanreiken om de antwoorden op het pensioenvraagstuk en de noodzaak van de beheersing van de gezondheidsuitgaven steeds weer voor zich uit te schuiven.

Patrick Martens

Onze partners