'Subjectieve tijdsdruk bij Vlamingen licht gedaald'

17/05/16 om 13:59 - Bijgewerkt om 13:59

In 2007 gaf 48 procent van de vrouwen aan dat de dag voor hen te weinig uren telt. In 2015 daalde dat aantal tot 45 procent.

'Subjectieve tijdsdruk bij Vlamingen licht gedaald'

© Thinkstock

Tussen 2007 en 2015 trad algemeen gezien een lichte daling op van de subjectief ervaren tijdsdruk bij Vlamingen van 18 tot 85 jaar. De daling volgt op een vrij forse stijging tussen 2000 en 2007, aldus onderzoek van de Studiedienst van de Vlaamse regering, op basis van de jaarlijkse enquête 'Sociaal-Culturele Verschuivingen in Vlaanderen' bij een representatieve steekproef Vlamingen.

Vrouwen geven een hogere subjectieve tijdsdruk aan, die wellicht verbonden is met de gemiddeld zwaardere dagtaak uitgedrukt in het aantal uren beroeps- en gezinsarbeid per week.

In 2000 gaf 43 procent van de vrouwen aan dat de dag voor hen te weinig uren heeft. Dat aandeel steeg tot 48 procent in 2007 maar daalde opnieuw tot 45 procent in 2015. Bij mannen steeg het percentage van 37 procent in 2000 tot 41 procent in 2007 en daalde weer tot 37 procent in 2015.

Voltijds werkende vrouwen

Het aandeel vrouwen dat het eens is met de uitspraak 'ik moet meer doen dan ik wil doen' nam toe van 18 procent in 2000 tot 26 procent in 2015. Bij mannen steeg dat percentage van 12 procent in 2000 tot 17 procent in 2015. Bij vrouwen steeg ook het aandeel dat het eens is met de uitspraak 'er wordt meer verwacht van mij dan ik aankan', terwijl dat bij mannen lichtjes daalde.

Het aandeel vrouwen dat het eens is met drie of meer uitspraken, als uitdrukking van een hoge subjectieve tijdsdruk, steeg van 26 procent in 2000 tot 34 procent in 2007, maar daalde weer tot 31 procent in 2015. Bij mannen steeg het percentage van 20 procent in 2000 tot 25 procent in 2007 en daalde tot 22 procent in 2015.

"Niet verrassend is er een positieve samenhang met het aantal kinderen ten laste en een sterk positief verband met het aantal uren beroepsarbeid". De subjectieve tijdsdruk ligt het hoogst bij voltijds werkende vrouwen met kinderen ten laste. Daarna volgen de deeltijds werkende vrouwen met kinderen ten laste, de voltijds werkende vrouwen zonder kinderen, de voltijds werkende mannen met kinderen ten laste en de niet-beroepsactieve vrouwen met kinderen. (Belga/AVE)

Lees meer over:

Onze partners