Minder eten, langer leven?

13/09/12 om 15:11 - Bijgewerkt om 15:11

Laboratoriumdieren worden veel ouder als ze minder eten dan normaal. De opname van energie beperken is bij dieren de enige bewezen manier om het leven te verlengen. Geldt dat ook voor mensen?

Minder eten, langer leven?

© Thinkstock

De eerste berichten dat laboratoriummuizen langer leven als hun normale voeding beperkt wordt, dateren al van rond 1930. Sindsdien werd deze vaststelling telkens opnieuw bekrachtigd met onderzoek bij gisten, vliegen, spinnen, eencelligen, wormen, kippen, vissen, muizen en ratten (1, 2). Sommige van deze dieren leefden tot 60% langer op een evenwichtig maar streng energiebeperkt dieet. Hun voeding bevatte alle noodzakelijke elementen voor een normale ontwikkeling, alleen de hoeveelheid energie werd gereduceerd.

Rond 1990 kwam er in de Verenigde Staten een beweging op gang van voorstanders van deze aanpak bij de mens: de Caloric Restriction Society (3). Maar is het mogelijk om op die manier de gezegende leeftijd van 120 jaar te bereiken?

De leefomstandigheden van mensen en laboratoriumdieren verschillen sterk van elkaar. De dieren leiden een luizenleventje: temperatuur, licht en donker, nestmateriaal, drank en rust, alles wordt voor hen geregeld. Geen ongewenste verrassingen, risico's op ongevallen en stress in hun kiemvrije hokken. Maar ze moeten het wel stellen met een beperkte hoeveelheid voedsel van zodra ze zelfstandig kunnen overleven. Verder slijten ze hun dagen in ledigheid en lummelen ze lusteloos in hun kooi.

Mensen daarentegen moeten een minimum aan activiteit ontwikkelen om aan de bak te komen. Wie lange tijd vast of vrijwillig weinig eet, voelt zich vaak lethargisch, vermoeid en kouwelijk, niet echt bevorderlijk voor een actief leven. Bovendien ontsnapt niemand van ons aan de risico's, de ongevallen, de infecties en de stress van het alledaagse leven.

Een ander verschil dat vergelijken moeilijk maakt: bij de mens gelden hart- en vaatziekten als de belangrijkste doodsoorzaak. Bij knaagdieren spelen die zo goed als geen rol en staat kanker op nummer 1 (4).

De bodem van het bord

Wat is het ideale lichaamsgewicht voor een zo gezond en lang mogelijk leven? Op deze vraag werd nog nooit een precies antwoord geformuleerd. De materie is erg complex. Het belang van lichaamsgewicht verschilt onder meer naargelang van de leeftijd. De resultaten van onderzoeken spreken elkaar vaak tegen (5).

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie komt een body mass index (BMI) tussen 18,5 en 25 overeen met een normaal of gezond lichaamsgewicht. Een brede maar kritiekloze zone. Het voedselrapport van 2007 van het World Cancer Research Fund adviseert echter een zo laag mogelijk lichaamsgewicht binnen deze grenzen, dus liever een BMI van 18,5 dan hoger (6). Het ziet een duidelijke toename van verschillende soorten kanker (slokdarm, dikke darm, aars, baarmoederslijmvlies, alvleesklier, nier en borst) met de toename van het lichaamsvet.

Ondergewicht, een BMI lager dan 18,5, zou volgens recent onderzoek het risico verhogen op overlijden aan infecties en chronische ontstekingen van de luchtwegen, en geen voordeel opleveren in verband met hart- en vaatziekten (5).

Een andere vraag waarop we nog geen antwoord hebben, is hoeveel mensen minder zouden moeten eten voor een heilzaam effect. Bij dieren controleer je eerst hoeveel ze eten met een vrije toegang tot het voedsel. Tijdens de daaropvolgende experimenten geef je hen slechts een deel van die hoeveelheid. Mensen daarentegen moeten willen meewerken en uit vrije wil "neen" zeggen in een wereld die bulkt van verleidelijk, hapklaar voedsel. Levenslang 60% en zelfs 30% minder eten dan je gewend bent, is eigenlijk een onhaalbare opdracht.

Wat is de winst? Een volgende belangrijke vraag is wanneer je zou moeten starten met dit regime. Bij dieren kan dat van zodra ze zelfstandig kunnen leven, maar bij mensen moet er minstens gewacht worden tot hun kinderen oud en zelfstandig genoeg zijn om voor zichzelf te beslissen. Zo lopen we een deel van het mogelijke effect mis. De resultaten worden dan al een stuk minder spectaculair. Wie vanaf zijn 23ste 30% minder begint te eten, zou op zijn 78ste, dus na 55 jaar hongeren, mogen rekenen op 9 jaar en 5 maanden extra (1). Wie pas start op zijn 48ste, kan na 30 jaar iets minder dan 3 jaar toegevoegd zien. Wie wacht tot zijn 55ste is eraan voor de moeite. De winst bedraagt dan slechts 6 weken.

Berichten uit Biosfeer II

Dieren ondergingen al honderden experimenten. Bij mensen gebeurde er, buiten klassieke vermageringsstudies, nauwelijks langlopend onderzoek op dit vlak, maar het lijkt wel op gang te komen. Zo polst de CALERIE-studie in de Verenigde Staten sinds 2002 naar het effect van een voedselbeperking van 25% (7). De eerste resultaten wijzen op gunstige aanpassingen van bloeddruk, suikerspiegel, insuline, cholesterol, witte bloedcellen, enz., maar geven geen uitsluitsel over de mogelijke levensduur.

Gelijkaardige conclusies kunnen getrokken worden uit de gegevens van de Amerikaanse Caloric Restriction Society en van de 8 bewoners van Biosfeer II, die 2 jaar afgesloten van de buitenwereld overleefden op de beperkte voedselproductie van hun mini-ecologische namaakwereld (8). In beide gevallen kan je niet van wetenschappelijk onderzoek spreken, hooguit van interessante vaststellingen. De meest opvallende resultaten zijn de erg lage bloeddrukwaarden (100/60) bij de leden van de Caloric Restriction Society. De proefpersonen hadden ook een opmerkelijk jong hart voor hun leeftijd. Jammer dat de Caloric Restriction Society geen gegevens bekendmaakt over haar ledenaantal en de afhakers.

Jan Etienne, Bodytalk

Dit artikel verscheen in juni 2008 in Bodytalk.

1. The Journal of nutrition. 2007; 137: 1078-1086.

2. New England Journal of Medicine. 1997; 337: 989-994.

3. www.calorierestriction.org en www.cron-web.org 4. Mechanisms of ageing and development. 2005; 126: 960-966.

5. Journal of the American Medical Association. 2007; 298: 2028-2037.

6. www.dietandcancerreport.org

7. http://calerie.dcri.duke.edu

8. www.b2science.org

Lees meer over:

Onze partners