Intuïtie is een slechte gids

15/11/12 om 19:55 - Bijgewerkt om 19:55

Psychologische mythen zijn alomtegenwoordig: op het internet, in populairpsychologische magazines, in zelfhulpboeken. Vaak zijn ze onschuldig, maar ze kunnen ons ook aanzetten tot onverstandige keuzes.

Intuïtie is een slechte gids

© Thinkstock

Wij nemen veel zaken voor waar aan die niet blijken te kloppen. Dat het beter is om woede te uiten dan te onderdrukken, bijvoorbeeld, en dat maagzweren ontstaan door stress. Wie gaat er niet van uit dat je een trauma moet verwerken om ervan te genezen en dat seksueel misbruik als kind altijd zware psychologische gevolgen heeft? Dergelijke aannames stroken met onze intuïtie, maar die volg je beter niet bij het beoordelen van wetenschappelijke hypothesen, noteert de Amerikaanse psycholoog Scott Lilienfeld in zijn boek De 50 grootste misvattingen in de psychologie, dat hij schreef samen met 3 collega's. Onze intuïtie vertelt ons ook dat de aarde plat is. Als we inzicht willen krijgen in de menselijke psychologie, moeten we ons buikgevoel achter ons laten en zorgvuldig wetenschappelijk onderzoek verrichten. Alleen zo kunnen we de denkfouten vermijden waarvoor ons brein gevoelig is.

Het zelfgemaakte toeval

Neem onze neiging om de wereld zo te interpreteren dat die strookt met onze eerder verkregen overtuigingen. We menen dat we de werkelijkheid waarnemen zoals die is, maar in feite beïnvloeden onze aannames en verwachtingen vaak wat we zien. Een goed voorbeeld van dergelijke selectieve waarneming en herinnering is de tendens om ons vooral een bijzondere samenloop van omstandigheden te herinneren en niet zozeer het ontbreken daarvan.

Zo is volle maan in de loop van de geschiedenis vaak in verband gebracht met bizarre verschijnselen, waaronder vreemd gedrag, meer zelfdodingen en meer geboortes. Het verondersteld verband tussen volle maan en gedrag is door onderzoek echter naar de prullenmand verwezen. Dat zoveel mensen overtuigd zijn van het tegendeel, heeft een simpele verklaring, aldus Lilienfeld: als er iets opmerkelijks gebeurt bij volle maan, bevestigt dat onze hypothese, dus merken we het op en onthouden we het. Als er niets gebeurt, negeren we dat meestal. Vergelijk het met dat telefoontje van een vriendin net nadat je aan haar dacht. "Dat kan geen toeval zijn", besluit je, maar je vergeet daarbij de talloze keren dat ze door je hoofd flitste en er geen telefoontje volgde. Wij zien gemakkelijk verbanden die er niet zijn.

De foute "dus"

Dat geldt ook voor een andere denkfout, de post hoc, ergo propter hoc-redenering: erna, dus erdoor. Wij redeneren soms overhaast dat, omdat A voorafgaat aan B, A de oorzaak is van B. Als ik een kruidenmiddel slik tegen gedeprimeerdheid en me daarna beter voel, volgt daaruit echter niet noodzakelijk dat het middel mijn herstel veroorzaakte. Misschien ben ik gewoon vanzelf opgeknapt. Dat mijn ouders mij hebben grootgebracht, bewijst evenmin dat zij mijn persoonlijkheid hebben gevormd.

En inderdaad, onderzoek bij onder meer adoptiekinderen geeft aan dat opvoeding weinig impact heeft op iemands karakter. Kinderen lijken op hun ouders doordat ze de helft van hun genen erfden. Externe factoren, waaronder de peergroup (groep soortgenoten), drukken een veel grotere stempel op iemands persoonlijkheid dan opvoeding. Dat betekent niet dat ouders niet essentieel zijn. Kinderen hebben immers behoefte aan veiligheid, liefde en intellectuele stimuli. Maar zodra die behoeften tot op zekere hoogte ingevuld zijn, maken alle opvoedingsextra's weinig verschil.

Lijdzaam kijken

Sommige psychologische mythes komen voort uit redeneerfouten, maar andere klinken gewoon logisch. Neem nu de opvatting dat je veiliger bent in groep dan alleen. Dan kunnen veel mensen je immers te hulp snellen in een noodsituatie, niet? In de praktijk kan dat anders uitdraaien, zoals ook de New Yorkse Kitty Genovese ondervond. Zij werd in 1964 in de buurt van haar appartement doodgestoken door een moordenaar-verkrachter. Het verhaal wil dat 38 buren op de moord toekeken, maar niets ondernamen. De werkelijkheid is genuanceerder, maar niet minder verontrustend: een 10-tal buren hoorde haar geschreeuw en 2 waren deels getuige van de aanval, maar slechts enkelen belden de politie. Toen die arriveerde, was het te laat.

De zaak Genovese inspireerde het onderzoek naar een psychisch effect waaraan weinigen van ons ontsnappen: het omstanderseffect. Hoe meer getuigen, hoe kleiner de kans dat wij iemand in nood zullen helpen. Dat heeft niets te maken met gevoelloosheid, wel met een aantal normale psychologische mechanismen. In onduidelijke situaties zijn we geneigd de reacties van anderen als richtsnoer te nemen.

Als niemand iets doet, dan zal het wel zo erg niet zijn, redeneren we. Het probleem is dat iedereen zo denkt, waardoor niemand ingrijpt. Maar ook als het zonneklaar is dat zich een noodgeval voordoet, dan nog remt de aanwezigheid van anderen hulpgedrag vaak af. Hoe groter de groep, hoe minder elke omstander zich immers persoonlijk verantwoordelijk voelt voor wat er gebeurt. Dat heet diffusie van verantwoordelijkheid: de verantwoordelijkheid voor de afloop is over de hele groep verspreid. Iedereen kan zich geruststellen met de gedachte dat er ook anderen waren die hadden kunnen helpen.

Wetenschap beschermt

Een belangrijke drijfveer van Lilienfeld en zijn collega's is schade helpen voorkomen. Wie de dynamiek achter het omstanderseffect snapt, biedt sneller hulp. Wie beseft hoe onbetrouwbaar het geheugen is, gaat als jurylid kritischer om met ooggetuigenverslagen. Wie weet dat herhaaldelijk praten over zelfdoding een van de beste voorspellers is van de daad, relativeert die uitspraken niet weg. Veel broodjeaapverhalen zijn onschuldig, andere kunnen verregaande gevolgen hebben.

Antivaccinatiebewegingen illustreren dat nog eens. Steeds meer ouders laten hun kroost niet inenten tegen gevaarlijke infectieziektes als mazelen en rubella, afgeschrikt door het verhaal dat autisme bij kinderen massaal toeneemt en dat de oorzaak bij vaccins zou liggen. Een zorgwekkende ontwikkeling, gebaseerd op misvattingen, aldus Lilienfeld. Het is niet de incidentie van autisme die toeneemt, wel het aantal diagnoses. De criteria voor diagnosestelling zijn immers ruimer dan voorheen. Pogingen om die "autisme-epidemie" te linken aan een externe oorzaak zijn dus zinloos. Afgezien daarvan ontbreekt elk wetenschappelijk bewijs van een verband tussen autisme en vaccinatie. Ouders van autistische kinderen die een verband claimen, vallen wellicht ten prooi aan de post hoc, ergo propter hoc-denkfout: vaccins worden meestal toegediend op een leeftijd vlak voordat symptomen van autisme opduiken.

Twijfel dus gerust aan je "gezond verstand".

Griet Vandermassen

Lees meer over:

Onze partners