Gods Werk

Links: de heiligverklaring van Josemaría Escrivá de Balaguer door Johannes Paulus II in 2002. © REUTERS

Gods Werk, zoals Opus Dei in vertaling luidt, werd in 1928 opgericht door Josemaría Escrivá de Balaguer, een exponent van de duistere Spaanse religiositeit. Opus Dei wil de wereld van binnenuit heiligen. De middelen die het daartoe gebruikt, zijn niet altijd erg katholiek…

In een stad als Rome, waar geheimen nooit ver weg zijn en graag in scène worden gezet, zou je verwachten dat een organisatie zoals Opus Dei, geheim als geen andere, haar zetel heeft in een of ander straatje in een 16de-eeuwse wijk waar nauwelijks zonlicht binnenvalt, waar het altijd vochtig is, waar een sterke geur hangt en waar het duistere verleden uit de straatstenen omhoog lijkt te komen.

Zo is het niet. Deze mysterieuze en machtige organisatie heeft haar zetel op het nummer 73 aan de viale Bruno Buozzi, een elegante, bochtige straat in Parioli, de tweede wijk van Rome, waar sinds de tijd van het fascisme vooral hogere burgerij woont. Het witte huis uit de jaren vijftig past perfect in de rij. Vijf verdiepingen, geen naamplaat op de deur, geen namen naast de parlofoons. Slechts één ding wijst erop dat dit geen doorsnee woonhuis is: drie camera’s van een gesloten systeem bewaken de ingang. Op de hoek vlakbij waakt een Maria met Kind in mozaïek over de voorbijgangers. Het zenuwcentrum van de rijke en veelbesproken organisatie hult zich in anonimiteit.

De organisatie zou dus ontstaan zijn op rechtstreekse aanwijzing van God en moest de wereld redden zonder zich eruit terug te trekken maar door ze van binnenuit te ‘kerstenen’.

Naast deze ‘politieke’ zetel heeft ze ook een ‘economische’ zetel. Die bevindt zich aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, in de zeventien verdiepingen van het Murray Hill Palace, de luxueuze wolkenkrabber op nummer 243 aan Lexington Avenue in New York, tussen 34th en 35th Street: conferentiezalen, leeszalen, bibliotheek, gymzaal, kapel, studentenkamers, gastenkamers, rust, discretie en licht.

In Rome is niets zo eenvoudig als het lijkt. Achter het anonieme gebouw aan de viale Buozzi ligt een uitgebreid complex: een heus baksteenrood stadspaleis met torens en dakvensters. In deze ingewikkelde opeenvolging van vertrekken en gangen wonen de vrouwen van de organisatie. Maar ook in dit labyrint krijg je nog geen precies idee van waar de prelatuur voor staat. Daarvoor moet je via een marmeren trap afdalen naar de kleine kapel op verdieping – 1 met drie rijen zitbanken en een reliekschrijn in verguld metaal. Hier, ver van de blikken van nieuwsgierigen en buitenstaanders, rust het lichaam van de stichter van het Werk,

Josemaría Escrivá de Balaguer (1902-1975), door Johannes Paulus II in mei 1992 zalig en in oktober 2002 heilig verklaard. Vóór het conclaaf dat hem tot paus koos, was Karol Wojty³a lang op Escrivá’s grafsteen komen bidden. Onder de zwarte marmeren steen enkele stappen verder ligt Escrivá’s opvolger begraven: Álvaro del Portillo (1914-1994). Veel leden van de organisatie komen naar deze stille, plechtige ruimten, blinkend van netheid, op bedevaart voor een moment van gebed en bezinning.

Als je door de viale Buozzi richting Tiber gaat, kom je de basiliek van Sant’Eugenio tegen. Met haar imposante gevel in travertijn domineert ze de viale delle Belle Arti. Ze werd in de jaren veertig gebouwd op vraag van Pius XII. Vandaar dat ze werd toegewijd aan de heilige Eugenius, de patroon van de paus, die met zijn doopnaam Eugenio heette. De grond werd geschonken door de Knights of Columbus en de werkzaamheden werden gefinancierd met giften van katholieken uit de hele wereld die de 25ste verjaardag van de bisschopswijding van de paus wilden gedenken. Aan de Kerk, ontworpen door de architecten Enrico Galeazzi en Mario Redini, werd gewerkt van de zomer van 1943 tot maart 1951. Op 2 juni werd het hoofdaltaar ingewijd door de paus zelf.

De façade van de 'economische' zetel van Opus Dei in New York.
De façade van de ‘economische’ zetel van Opus Dei in New York.© ROBERT CAPLIN / REUTERS

In september 1980 werden de Kerk en de parochie toevertrouwd aan priesters van Opus Dei. Die engageerden zich ertoe om ‘de kar te trekken in de richting die de plaatselijke bisschop wilde’ – wat helemaal in de lijn was van punt 518 in het boek van hun stichter dat De Weg heet: ‘Wat een vreugde, met heel mijn ziel te kunnen zeggen: ik houd van mijn Moeder, de heilige Kerk!’

Bij de basiliek horen ook een dertig meter hoge toren, een kloosterpand en een sportterrein. De Kerk zelf heeft de vorm van een Latijns kruis en telt drie beuken, zes zijkapellen en elf altaren. De mozaïeken in de apsis zijn van Ferruccio Ferrazzi en sommige bronzen staties van de Kruisweg zijn het werk van Giacomo Manzù. Het presbyterium wordt gedomineerd door een groot beeld van de heilige Eugenius. Boven een altaar hangt een portret van de stichter van Opus Dei.

Katholieke leken

‘Op 2 oktober 1928, feestdag van de heilige engelbewaarders, wilde de Heer dat Opus Dei ontstond, als een mobilisatie van christenen die bereid waren zich vreugdevol op te offeren voor anderen, om alle wegen van de mens op aarde goddelijk te maken en elk rechtschapen werk, elke oprechte inzet en elke aardse bezigheid te heiligen.’ Zo beschreef Josemaría veertig jaar na de feiten het visioen waarin God aan de jongeman die hij toen was, zijn ‘complete en totale’ verlangen naar het Werk kenbaar had gemaakt. De organisatie zou dus ontstaan zijn op rechtstreekse aanwijzing van God en ze moest de wereld redden zonder zich eruit terug te trekken maar door ze van binnenuit te ‘kerstenen’. In de woorden van de stichter: ‘Heilig je werk. Heilig jezelf in je werk. Heilig de anderen door je werk.’

Veel leden van Opus Dei zijn arts, journalist, bankier, advocaat, manager, verpleger, chauffeur, bediende…

Ze hebben een middelhoge tot hoge opleiding gehad en werken in alle knooppunten van het sociale leven in de stad. Artikel 116 van de statuten van 1982 zegt uitdrukkelijk dat vooral moet worden gerekruteerd in de ‘intellectuele’ klasse: de organisatie zoekt voor de verwezenlijking van haar doelstellingen mensen die daartoe kunnen bijdragen door ‘de cultuur waarin ze uitblinken, de taken die ze vervullen en het gezag dat ze genieten.’

In de woorden van Escrivá: het Werk moet ‘een intraveneuze injectie in de bloedsomloop van de samenleving’ zijn. Het embleem van Opus Dei, een kruis in een cirkel, symboliseert die heiliging van de wereld van binnenuit. Die alomvattende geest wordt goed samengevat in een bekende anekdote. Toen Josemaría Escrivá op het punt stond zijn eerste drie priesters te wijden – Álvaro del Portillo, José María Hernández Garnica en José Luis Múzquiz – stelde hij tot zijn ontgoocheling vast dat geen van hen rookte. In het Spanje van de jaren veertig was dat ongewoon en niemand mocht denken dat de leden van het Werk anders dan anderen en ‘niet van de wereld’ waren. Dus moest een van hen van de stichter beginnen te roken. Het toeval wilde dat del Portillo de eerste was die een sigaret in de hand nam. Hij werd Escrivá’s trouwste volgeling en zijn onmiddellijke opvolger. Aanvankelijk had Escrivá nog geen naam voor zijn geesteskind. Hij begon het pas ‘Opus Dei’ te noemen na een toevallige vraag van zijn biechtvader: ‘Hoe gaat het met het werk van God?’ ‘Werk van God’, dat was het!

Het graf van Josemaría Escrivá in de Santa Maria della Pace, de Kerk van de prelatuur Opus Dei in Rome.
Het graf van Josemaría Escrivá in de Santa Maria della Pace, de Kerk van de prelatuur Opus Dei in Rome.© PAOLO COCCO / REUTERS

Dat geesteskind was geen religieuze orde zoals de dominicanen of de franciscanen en ook geen lekenbeweging. In het Werk is er plaats voor mannen en vrouwen, leken en priesters. Voor het Vaticaan was het nu eens een vereniging van gelovigen, dan weer een kerkelijke gemeenschap of een seculier instituut. Met zijn regels, zijn modus operandi en zijn obsessie met gehoorzaamheid doet het Werk denken aan de machtige jezuïetenorde, die ook in Spanje is ontstaan (maar dan in de 16de eeuw), op initiatief van Ignatius van Loyola. In beide groepen is dezelfde duistere Spaanse religiositeit terug te vinden. De organisatie oefent over haar volgelingen een absolute macht uit. In de ogen van de stichter was blinde gehoorzaamheid een voorwaarde voor de ‘weg naar heiligheid’.

Veel leden van Opus Dei hebben een middelhoge tot hoge opleiding gehad. Ze werken in alle knooppunten van het sociale leven in de stad

Alle leden, ook de zogeheten ‘surnumerairs’, die meestal gehuwd zijn en in gezinsverband leven, moeten zweren dat ze voor elke professionele of sociale vraag hun oversten zullen raadplegen en dat ze hen zelfs hun meest intieme problemen zullen voorleggen. De ‘numerairs’, dat wil zeggen de leden van de binnengroep, moeten bij hun intrede een testament ondertekenen waardoor de bezittingen die ze op dat ogenblik hebben of later zullen verwerven, na hun dood naar het Werk gaan. Tot voor enkele jaren – maar waarschijnlijk geldt de regel ook nu nog – moesten de leden een blanco document ondertekenen waarmee ze de organisatie de toelating gaven om ‘bezittingen te vervreemden die niet bij testament aan het Instituut waren toegewezen, maar toch aan haar macht en leiding onderworpen waren’ (art. 372). Belangrijker dan wat dan ook is de geheimhouding. Je mag nooit zeggen dat je lid bent van Opus Dei noch de namen van andere leden kenbaar maken, ook niet aan leden van je eigen gezin. Alleen de hoogste top mag daar eventueel een uitzondering op toestaan.

Spanje, oktober 1969. Alle ministers van de nieuwe regering van technocraten (hier rond Franco) waren leden of sympathisanten van Opus Dei.
Spanje, oktober 1969. Alle ministers van de nieuwe regering van technocraten (hier rond Franco) waren leden of sympathisanten van Opus Dei.© EFE

Een tip van de sluier werd opgelicht toen Sandro Magister, een van de bekendste Italiaanse vaticanisten, in de lente van 1986 in het weekblad L’Espresso een reeks artikelen publiceerde over de tot dan toe nauwelijks bekende organisatie. Vanaf dat ogenblik sijpelde er meer informatie door, maar de geheimhouding bleef een zo frappant kenmerk van het Werk, dat men het wel eens de ‘witte’ of ‘katholieke vrijmetselarij’ heeft genoemd – of het de spotnaam ‘O(cto)pus Dei’, ‘inktvis van God’, gaf.

Josemaría Escrivá werd op 9 januari 1902 geboren in het noorden van Spanje, in Barbastro, een gemeente in de provincie Huesca in de regio Aragón. Zijn ouders behoorden tot de middenburgerij. Toen hij nog zeer klein was, kostte een meningitis hem bijna het leven. De artsen hadden hem al opgegeven, maar zijn moeder bracht hem naar het bedevaartsoord van Nuestra Señora de los Ángeles in Torreciudad. En hij haalde het… In 1915 ging de stoffenhandel van zijn vader bankroet en verhuisde het gezin naar Logroño. Volgens zijn officiële biografie werd Josemaría zich hier voor het eerst bewust van zijn roeping, en wel toen hij in de sneeuw de afdrukken van de blote voeten van een pater zag.

Dynamisch

Josemaría was vijftien of zestien jaar toen hij besliste dat hij priester zou worden en naar het plaatselijke seminarie ging. In 1923 schreef hij zich in aan de rechtsfaculteit van de universiteit van Saragossa. In 1925 werd hij priester gewijd. Op 2 oktober 1928 – hij was toen pas zesentwintig jaar – stichtte hij Opus Dei. Dat alles zo snel ging, maakt duidelijk hoe dynamisch de jongeman was. In 1946, kort na de Tweede Wereldoorlog, verhuisde Josemaría naar Rome. Hij bleef er tot zijn dood (1975).

Bij zijn heiligverklaring (2002) zei Johannes Paulus II onder meer: ‘De heilige Josemaría werd door de Heer uitverkoren om te verkondigen dat iedereen tot heiligheid is geroepen en dat het leven van elke dag en gewone activiteiten de weg naar heiliging zijn. Je zou kunnen zeggen dat hij de heilige van het alledaagse is.’ In werkelijkheid was ‘de heilige van het alledaagse’ een controversiële figuur. Hij kreeg in de eerste plaats veel kritiek voor zijn vermeende steun aan het regime van Franco. De opkomst en de expansie van Opus Dei vallen samen met de jaren van de dictatuur van Francisco Franco in Spanje. Op 23 mei 1958 stuurde Escrivá de caudillo een brief met daarin onder meer deze woorden: ‘Hoewel ik niet aan politiek doe, is het mij als priester en Spanjaard onmogelijk niet blij te zijn dat de gezaghebbende stem van het staatshoofd verkondigt dat “de Spaanse natie het als een eer ziet respect te betonen voor Gods wet volgens de enige ware leer van de Heilige Katholieke Apostolische Kerk van Rome, die onlosmakelijk verbonden is met het nationale bewustzijn en waardoor zij de wetgeving zal laten inspireren”.’ Zeg je zo niet dat geloof, politieke keuze en burgerzin één samenhangend geheel vormen?

Gods Werk
© EFE

In 2003 schreef het gezaghebbende Amerikaanse dagblad Chicago Tribune: ‘Toen generaal Franco de oorlog won, bracht Escrivá zijn beweging in lijn met het autoritaire regime. Veel leden van Opus Dei bekleedden strategische posten in de regering.’ Zo waren de economist Alberto Ullastres Calvo en de bankier Mariano Navarro Rubio van 1957 tot 1965 en de jurist Laureano López Rodó van 1973 tot 1974 respectievelijk minister van Handel, van Financiën en van Buitenlandse Zaken. Alles samen bekleedden tussen 1939 en 1975 acht leden van het Werk ministerposten in regeringen van Franco.

Het dient gezegd dat in de tijd van de Burgeroorlog bijna de hele Spaanse Kerk zich aan de kant van de franquisten had geschaard en dat de republikeinen veel priesters en nonnen hadden omgebracht. Toch moet ook worden gezegd dat in de tijd van de caudillo sommige leden van Opus Dei – meestal geen ‘hoge omes’ – werden vervolgd en gevangengezet omdat ze kritisch waren voor Franco’s bewind.

Sympathie voor Hitler

Erger zijn de beschuldigingen van sympathie voor Hitler. Een van degenen die Escrivá hiervan betichten, is een tot Engelsman genaturaliseerde Tsjech, Vladimir Felzmann, die in 1959 lid werd van Opus Dei en in 1982 de organisatie verliet. In het interview dat de Duitse katholieke theoloog Peter Hertel op 11 mei 1984 in Londen van hem afnam, was hij bijzonder hard voor de stichter: ‘Als hij ooit iets heeft gehaat, dan is het wel het communisme. Voor hem was dat de incarnatie van het kwaad omdat hij er veel onder geleden had. In zijn ogen was de politiek van nazi-Duitsland een kruistocht tegen het communisme en was Hitler de voortrekker in de strijd tegen het marxisme. [… ] Alle leden van Opus Dei wilden dienst nemen in de Blauwe Divisie [Spaanse vrijwilligers die aan de zijde van de Duitsers tegen de Sovjet-Unie vochten]. Ze werden niet aanvaard, maar ze dienden zich wel spontaan aan.’ Felzmann vertelde ook dat Escrivá hem een keer had toevertrouwd: ‘Wie denkt dat Hitler zes miljoen joden heeft gedood, overdrijft mijns inziens. Zo boosaardig was Hitler niet. Hij heeft er hooguit drie tot vier miljoen gedood.’ Vreselijke woorden! Toen ze op 13 januari 1992 werden overgenomen door Newsweek, werden ze snel ontkend door Álvaro del Portillo.

De opkomst en de expansie van Opus Dei vallen samen met de jaren van de dictatuur van Franco

Kritiek bij de katholieken

Elk verwijt van antisemitisme aan het adres van de stichter wordt door Opus Dei beantwoord met een tafereel dat op 14 februari 1975 werd gefilmd in Venezuela. Iemand spreekt hem aan en begint met ‘Pater, ik ben jood…’ Escrivá onderbreekt hem en zegt: ‘Ik houd veel van de joden, want ik zie Jezus Christus doodgraag en hij is een jood. Ik zeg niet “was”, maar “is”. Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid! Christus leeft en is jood zoals jij. Ook de tweede liefde van mijn leven is joods: Onze-Lieve-Vrouw, Jezus’ moeder. Daarom kijk ik met veel genegenheid naar jou…’ ‘Pater, ik denk dat u mijn vraag beantwoord hebt’, antwoordde de man.

Mei 2012. Pas gewijde diakens werpen zich ter aarde voor Javier Echevarría, de bisschop die aan het hoofd staat van Opus Dei.
Mei 2012. Pas gewijde diakens werpen zich ter aarde voor Javier Echevarría, de bisschop die aan het hoofd staat van Opus Dei.© EIDON FRUSTACI / DEMOTIX / CORBIS

Ook uit katholieke hoek kwam er kritiek op het Werk, vooral vanwege de jezuïeten, voor wie Opus Dei een soort rivaal was. W?odzimierz Ledóchowski, algemeen overste van de jezuïeten van 1915 tot 1942, schreef in een rapport voor de curie dat Opus Dei ‘heel schadelijk was voor de Kerk in Spanje’: de geheimhouding waartoe de leden verplicht waren, was ‘een teken van een hang naar macht, naar heerschappij over de wereld via een soort christelijke vrijmetselarij’.

De bekende katholieke journalist Vittorio Messori vertelt in zijn boek over het Werk ( Opus Dei. Un’indagine) dat don Giussani, stichter van de katholieke beweging Comunione e Liberazione, hem ooit zei: ‘Zie je, wij van Comunione e Liberazione, wij zijn zoals het jongetje dat in 1746 de opstand tegen de Habsburgers ontketende door steentjes te gooien. Zij daarentegen, die van het Werk, zijn als tanks: ze stoten door in pantsers en op rupsbanden – geruisloos, want ze hullen die banden in rubber, maar komen doen ze wel, hola! We zullen het steeds meer gaan merken.’ En de evangelisch bewogen Giuseppe Dossetti, die voor hij priester werd, lang politicus was geweest voor de Democrazia Cristiana en hoe dan ook een uiterst belangrijke figuur was in het katholieke Italië van de tweede helft van de 20ste eeuw, zei in 1984 in een interview (in 2003 gepubliceerd in het boek A colloquio con Dossetti e Lazzati): ‘Ik ga het document opzoeken en bestuderen waarin de Congregatie voor de Religieuzen aan Opus Dei de toelating geeft om in de bisdommen te werken op vertoon van alleen maar een uittreksel uit hun statuten. [… ] Dat is je reinste gebrek aan democratie [… ] Natuurlijk hebben de bisschoppen krachtig gereageerd. En dan is er die geheime manier van werken. Waar is het onderscheid met de vrijmetselarij?’

Hoe geloofwaardig die soms tegenstrijdige inschattingen zijn, valt moeilijk uit te maken, maar er tekent zich wel een duidelijke politieke basishouding af. Die verschilt trouwens in wezen niet van die van het grootste deel van de Kerk in de ‘ijzeren jaren’ van de 20ste eeuw, toen twee grote dictaturen, het nazisme-fascisme en het communisme, een bloedige strijd om de heerschappij over Europa uitvochten. Je vindt ze ook terug bij Pius XII en in zijn onduidelijke houding die hem op veel kritiek is komen te staan. Priesters als don Giussani en don Dossetti zagen in het atheïstische communisme een gevaar dat groter was dan alle andere. Ook het nazisme was atheïstisch, maar met het regime van Hitler dacht men nog een overeenkomst te kunnen bereiken of toch tot een niet-gewelddadig samenleven te kunnen komen. Met het communisme was dat onmogelijk, want daar moest vanaf de kleuterschool elk idee van God worden uitgeroeid.

In het seminarie van de organisatie studeren seminaristen uit bisdommen van de hele wereld.
In het seminarie van de organisatie studeren seminaristen uit bisdommen van de hele wereld.© FRANCO ORIGLIA / GETTY IMAGES

Johannes Paulus II geeft groen licht

Op 28 november 1982, meer dan een halve eeuw na de oprichting van Opus Dei, gaf Johannes Paulus II de organisatie de status van personele prelatuur. Het was op dat moment de eerste – en tot 2009 de enige – instelling in de katholieke Kerk die deze titel kreeg. De paus benoemde Álvaro del Portillo tot prelaat. Met die plechtige daad kwam er een eind aan een lange strijd binnen de curie. Onder Paulus VI keek de hogere hiërarchie met argusogen naar het Werk. In de notulen van het proces van de zaligverklaring van Escrivá staat bijvoorbeeld te lezen dat deze paus de stichter van Opus Dei zes jaar lang, van 1967 tot 1973, weigerde te ontvangen.

Het was del Portillo, de opvolger van de stichter, die erin slaagde om door de paus ontvangen te worden. Hij wist maar al te goed dat Opus Dei anders niet verder zou geraken. Alles werd veel eenvoudiger toen de hen gunstig gezinde Karol Wojty?a tot paus werd gekozen. Met de verheffing tot personele prelatuur van de organisatie wilde de paus onder meer zijn waardering uitdrukken voor de hulp die zij hem in twee grote crisissen had geboden – in de kwestie van het IOR (zie het hoofdstuk over de ‘bankiers van God’ op p. 118) en in zijn geboorteland Polen, waar stakingen die werden georganiseerd door de katholiek geïnspireerde vakbond Solidarnooe de partij van generaal Jaruzelski aan het wankelen begonnen te brengen.

Escrivá zou gezegd hebben: ‘ Wie denkt dat Hitler zes miljoen joden heeft gedood, overdrijft mijns inziens. Zo boosaardig was Hitler niet. Hij heeft er hooguit drie tot vier miljoen gedood.

Een personele prelatuur is een groep priesters, diakens en leken onder leiding van een eigen bisschop die zich aan apostolische arbeid wijden. Zo’n prelatuur is een niet-territoriaal bisdom en is organisatorisch en financieel autonoom. De bisschop die de leiding heeft – de prelaat – kan eigen priesters wijden. Volgens het Annuario Pontificio van 2004 telde Opus Dei op dat ogenblik 1.850 priesters en 83.641 leken (waarvan 55 percent vrouwen), verspreid over de hele wereld. Om toegelaten te worden, moet je een lang en strikt gefaseerd parcours afleggen. Het doet sterk denken aan het proces dat voorafgaat aan de opname in een geheim genootschap. Meestal begin je met een brief te schrijven waarin je vraagt om te mogen toetreden. Je moet daarvoor minstens zestien en een half jaar oud zijn, maar reeds vanaf je veertien en een half kun je ‘aspirant’ zijn. Zes maanden na je toelating is er een kleine plechtigheid waarop je in het bijzijn van twee interne leden belooft te zullen ‘leven in de geest van Opus Dei’. Anderhalf jaar later doe je je ‘oblatie’. Je ondertekent hierbij een contract waardoor je juridisch lid wordt van de organisatie: ‘Ik verklaar in volle vrijheid mij resoluut te willen toewijden aan het nastreven van heiligheid en het beoefenen van apostolaat met al mijn krachten, in de geest en volgens de gebruiken van Opus Dei […]. Ik verplicht mijzelf ertoe onder de jurisdictie van de prelaat en van de bevoegde gezagsdragers van de prelatuur te blijven […].’

Boetegordel en touw voor zelfkastijding
Boetegordel en touw voor zelfkastijding© ELLINGVAG/ØRJAN

Celibatair leven

Contracten worden ondertekend en vernieuwd op 19 maart, feest van Sint-Jozef, patroon van de arbeiders en beschermheilige van het Werk. Na vijf jaar behoor je tot de ‘getrouwen’ en ben je permanent lid. Daarna hoeft de jaarlijkse vernieuwing niet meer. Er zijn verschillende categorieën leden. Het merendeel (ongeveer 70 percent) zijn surnumerairs, meestal gehuwden die in hun eigen huis leven, een baan hebben, met een numerair als geestelijk leider en een priester van het Werk als biechtvader.

De numerairs (ongeveer 20 percent) wonen in centra van Opus Dei, leven celibatair en houden zich beschikbaar voor apostolaat en voor de vorming van de andere gelovigen van de prelatuur. Met uitzondering van wat ze nodig hebben voor kleine persoonlijke uitgaven gaat al hun geld naar de financiering van de organisatie. Minstens twee uur per dag, behalve op zon- en feestdagen, dragen ze een boetegordel met scherpe punten rond hun dij. Eén keer per week geselen ze zichzelf op de rug terwijl ze het Onzevader opzeggen. De lagere lichaamsinstincten worden gezien als een vijand die je moet verslaan, en pijn als een middel tot redding. De stichter zegt het overduidelijk (De Weg, punten 208 en 227): ‘Gezegend zij de smart. Geliefd zij de smart. Geheiligd zij de smart. Verheerlijkt zij de smart!’ en ‘Als je weet dat je lichaam je vijand is, en vijand van de glorie van God, omdat het je heiliging bedreigt, waarom behandel je het dan met zoveel zachtheid?’ Kuisheid wordt sterk aangeraden: ‘Om zijn kuisheid te bewaren, rolde de heilige Franciscus van Assisië zich in de sneeuw, wierp de heilige Benedictus zich in een braamstruik, en sprong de heilige Bernardus in een ijskoude vijver… – En jij, wat heb jij gedaan?’ (De Weg, punt 143)

Een indrukwekkende organisatie

En dan zijn er de priesters: 1.850 onder het directe gezag van de prelaat en tweeduizend van het nauw met Opus Dei verbonden Priestergenootschap van het Heilig Kruis. De organisatie leidt en controleert een groot aantal ‘apostolische werken’, onder meer vijftien universiteiten met meer dan tachtigduizend studenten (de grootste is de Universidad de Navarra in Pamplona, de recentste de Università Campus Bio-Medico in Rome), zeven ziekenhuizen met duizend artsen en vijftienhonderd verplegers, elf scholen voor bedrijfsbeheer, 36 basisscholen en middelbare scholen, 96 instellingen voor beroepsopleiding, 166 universitaire residenties en een tv-nieuwsagentschap (Rome Reports). In zijn nummer van 24 april 2006 schatte het weekblad Time Magazine de waarde van het patrimonium van deze indrukwekkende organisatie op ongeveer drie miljard dollar.

Gods Werk
© ELLINGVAG/ØRJAN

Weggaan

Wat de collectieve verbeelding het meest treft, is ongetwijfeld de sfeer van geheimhouding die rond het Werk hangt. De organisatie maakt noch zijn balansen noch de namen van leden of ex-leden bekend. Artikel 191 van de statuten van 1950 luidde: ‘De leden moeten goed weten dat ze altijd een voorzichtige stilte moeten bewaren aangaande de namen van de andere leden en nooit aan iemand mogen kenbaar maken dat ze zelf lid zijn van het Werk.’ In de statuten van 1982 werd het artikel gewijzigd. In theorie zijn de leden nu vrij om te zeggen dat ze lid zijn van Opus Dei. In praktijk geldt nog steeds de oude gereserveerdheid, met uitzondering van degenen die officieel de toelating hebben om hun lidmaatschap kenbaar te maken. En in feite blijven ook nu nog de namen en het aantal leden van Opus Dei geheim.

Niet iedereen verdraagt de psychologische druk, de zelfkastijding en de constante controle waaraan je na je intrede onderworpen bent. Maar weer uittreden is geen simpele zaak. In de loop van de jaren zijn verschillende boeken verschenen over wat mensen, vrouwen nog meer dan mannen, meemaakten als ze Opus Dei wilden verlaten. Zo vertelt María del Carmen Tapia in haar boek Tras el umbral. Una vida en el Opus Dei: un viaje al fanatismo (‘Over de drempel. Een leven in Opus Dei: een weg naar het fanatisme’) onverbloemd over het leven, de dagorde, de vaak harde houding van de bewaaksters en de vernederingen in de organisatie. Wanneer ze eraan begint te denken deze te verlaten en terug te keren naar haar familie en de wereld, verandert de gewone hardheid in een regelrechte lastig vallen: ‘Telkens als ik na een verhoor weer in mijn kamer kwam, merkte ik dat er dingen verdwenen waren: mijn reisportefeuille, schoolresultaten, familiefoto’s, lijsten met familieadressen en -datums. Alles hadden ze doorsnuffeld. Mijn kast, wastafel en bed waren overhoopgehaald: pyjama, gezichtscrème, tandpasta… Ik weet niet wat ze zochten. Ze vroegen me wie mij geld gaf. Maar niemand stuurde mij wat dan ook. [… ] De telefoon [… ] werd voortdurend bewaakt door iemand van de plaatselijke raad. Ik mocht niet poetsen. Ik mocht ook niet naar de eetzaal: ze brachten mijn eten op een dienblad. Ik was van alles afgesloten. Ik mocht alleen naar de kapel om te bidden. Ik beefde de hele tijd van angst. Ik was bang dat ze me naar een gekkenhuis zouden brengen, zoals ze al met andere leden hadden gedaan.’

De gezichten van het prelaat

Toen de bewaakster van de telefoon op een dag even met andere dingen bezig was, kon ze de echtgenoot van een vriendin opbellen: ‘Ismael, ik ben het, María del Carmen. Kom mij bezoeken. Als ze je niet binnenlaten, dring aan. Het is ernstig.’ Meer kon ze niet zeggen, maar Ismael had het begrepen. Hij kwam haar bezoeken. Met veel moeite slaagde hij er na verloop van tijd in haar vrij te krijgen. Op de dag van haar vertrek ‘liep Escrivá te ijsberen, opgewonden, geërgerd en rood van woede, terwijl hij zei: “Spreek met niemand over het Werk of over Rome. [… ] Als ik erachter kom dat je ook maar één slecht woord over het Werk zegt, zal ik, José María Escrivá de Balaguer, die de wereldpers in handen heb – en terwijl hij dit zei, benadrukte hij dit met een duidelijk handgebaar -, jou publiek te schande stellen, je naam zal op de voorpagina van alle kranten staan, daar zal ik zelf voor zorgen en zo zul je voor alle mensen en je eigen familie te schande staan! [… ] Ik heb de hele nacht liggen denken of ik het je zou zeggen, maar ik denk dat het best is dat ik het je zeg.” Hij keek me recht in de ogen, kokend van woede, zwaaide met zijn armen alsof hij me ging slaan, en schreeuwde: “Je bent een slechte vrouw! Een valse vrouw! Maria Magdalena was een zondares, maar jij, jij bent gewoon verderfelijk! [… ] Je bent slecht, slecht ben je! [… ] En vraag me mijn zegen niet, want ik denk er niet aan hem te geven! [… ] En luister goed: VIES WIJF! HOER!”‘

JOSEMARIA ESCRIVÁ DE BALAGUER (1902-1975).
JOSEMARIA ESCRIVÁ DE BALAGUER (1902-1975).© GABRIEL BOUYS / AFP

Een ander getuigenis is dat van Amina Mazzali in het boek Opus Dei segreta (2006) van Ferruccio Pinotti. Ze was vijftien toen ze haar voorstelden in te treden. ‘En ik was niet de jongste.’ Ze werd numerair zonder dat haar ouders het wisten. ‘Ze zeiden me: “Je ouders staan buiten onze wereld. Ze hebben onze geest niet en zouden het wellicht niet begrijpen. [… ] Ze verkeren niet in de staat van genade die nodig is om je goede raad te geven.”‘ Zodra ze numerair was, op haar zeventiende, begon Amina aan de boetedoeningen die de organisatie oplegt: ze moest een boetegordel dragen rond de dij en zichzelf geselen. ‘Vanaf dat moment was mijn relatie met Opus Dei volledig gebaseerd op het schuldgevoel: [… ] die gordel bestaat uit een reeks ringen met scherpe punten die je aanspant rond je dij. Hoe sterker je hem aanspant, hoe grootmoediger je jezelf toont, natuurlijk… Ik draag er nog steeds de littekens van. [… ] Ik droeg hem twee uur per dag. Droeg ik hem bij het studeren, dan verdween langzaam elke gevoeligheid uit mijn been. Zolang ik zat, ging het nog, maar als ik opstond en liep, deed het echt pijn.’ Erger nog is de psychische afhankelijkheid: ‘De sleutel van je onderwerping aan de wil van de mensen van het Werk is dat ze je leren te twijfelen aan jezelf en je beoordelingsvermogen en alleen te vertrouwen op dat van je leiders en het Werk. [… ] Zij weten beter dan jij wat goed voor je is [… ] – onder het motto: “Wie gehoorzaamt, kan zich niet vergissen.”‘

Amina heeft het ook over het bekeringsijver van Opus Dei: ‘Heel professioneel. Ze geven je quota die je moet halen. En je rekruteert tijdens activiteiten die eigenlijk speciaal daarvoor georganiseerd worden: een cursus journalistiek, lessen Latijn, lezingen, congressen…’ Toen Amina depressief begon te worden, kreeg ze tranquillizers voorgeschreven. Ze was dertig toen ze uit Opus Dei stapte.

Geld

Geld is in de organisatie niet onbelangrijk. John Roche (numerair van 1959 tot 1973, hoogleraar geschiedenis van de wetenschappen in Oxford, katholiek) zegt in het net vermelde boek van Pinotti interessante dingen. Over de stichter: ‘Toen ik toetrad tot Opus Dei, was de organisatie fascistisch van aard en moest alles geheim blijven. Er was een grote vijandigheid tegenover de jezuïeten. De stichter werd door de leden even sterk vereerd als gevreesd. Hij had woede-uitbarstingen die Hitler waardig waren.’ Over geld: ‘Ik was verbaasd dat jonge numerairs, die geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid hadden afgelegd, er zo op uit waren om via werk in banken, de beurshandel, bedrijven en importexportzaken geld te genereren voor Opus Dei. Rijkdom was hun fetisj. [… ] Het Werk beheert een hele reeks eigendommen van multinationale aard. Via “hulpverenigingen” die worden bestuurd door zijn leden is het een rijk zakenimperium geworden. [… ] Het heeft ook de controle over dagbladen, tijdschriften, uitgeverijen, journalistenscholen en persagentschappen en is actief in de sector van film en televisie.’

ALVARO DEL PORTILLO (1914 - 1994).
ALVARO DEL PORTILLO (1914 – 1994).© EFE/MAXPPP

Soortgelijke beschuldigingen kun je lezen in een open brief uit oktober 2005 van een groep ex-numerairs aan Benedictus XVI: ‘Het is verontrustend te zien hoe de leiders van Opus Dei [niet alleen] het kerkelijk en het burgerlijk recht schenden [… ] [maar ook] de morele en burgerlijke regels over omgang met geld, contractclausules en fiscale verplichtingen. [… ] Ze aarzelen niet om manifest immorele of onwettelijke zaken te doen en de informatie hierover te manipuleren. [… ] [Er is] systematische uitbuiting van het individu door abusief gebruik van de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Doordat in naam van blinde gehoorzaamheid de individuele vrijheid teniet wordt gedaan, is er sprake van een echte sekte. [… ] De jongeren worden gedwongen afstand te nemen van hun familie. Ze mogen zelfs geen foto van hun ouders op hun kamer hebben.’

Doordat in naam van blinde gehoorzaamheid de individuele vrijheid teniet wordt gedaan, is er sprake van een echte sekte

De gelijklopendheid van deze beschuldigingen, ontstaan op verschillende momenten en op verschillende plaatsen, is bepaald verontrustend. Opus Dei lijkt dat zelf te zijn gaan beseffen, want de laatste jaren heeft het Werk de noodzaak gevoeld om opener te zijn. Na de publicatie van het boek van Pinotti verschenen op de website van Opus Dei een aantal positieve getuigenissen. Zo is op de Italiaanse versie van deze site een filmpje te vinden (http://opusdei.org/itit/video/intervista-a-marta-risari/) waarin Marta Risari vertelt over de tien jaar dat ze directrice was van het centrum van Opus Dei in Verona: ‘Ik heb veel vormingsactiviteiten georganiseerd, altijd met de hulp van mijn gezin en van andere gezinnen, die blij waren dat hun kinderen in zulke boeiende ondernemingen betrokken waren: [… ] cursussen economie, seminaries over de identiteit van de vrouw op de werkvloer, microprojecten voor gehandicapten, ouderen of kinderen in Verona of in het Hongarije van vlak na het communisme. Mijn deelname met een grote groep meisjes aan de Wereldjongerendagen in Loreto, Parijs en Rome was hartverwarmend. Met Kerstmis en Nieuwjaar samen met moedige studentes uit Verona hulp gaan bieden aan oorlogsvluchtelingen in Kroatië was een sterke ervaring. [… ] De leringen en het voorbeeld van de heilige Josemaría hebben me de kracht gegeven om me in te zetten voor iedereen die ik op mijn levensweg tegenkwam, om jongeren hun mogelijkheden te doen ontdekken, ze te helpen om vertrouwen te hebben in God, zichzelf en de anderen, en ze te leren in alle eenvoud en spontaniteit te praten met God […].’

JAVIER ECHEVARRIA RODRIGUEZ (NÉ EN 1932).
JAVIER ECHEVARRIA RODRIGUEZ (NÉ EN 1932).© ALBERTO PIZZOLI / AFP

Conservatief

Zit achter de levenswijze, de kijk op de wereld, de manier van denken die Opus Dei aanbeveelt, een politieke visie? Als je ‘politiek’ in de breedste zin begrijpt, is het antwoord ‘ja’. Professor Roche: ‘De pers van de hele wereld beschuldigt Opus Dei ervan een politieke organisatie te zijn. In werkelijkheid is het Werk vooral geïnteresseerd in de heersende klassen en de machthebbers. Via hen probeert het politieke invloed te verwerven. Die invloed impliceert echter geen bepaalde ideologie. [… ] Hoe dan ook, Opus Dei is zeer autocratisch en doordrongen van ideeën die afkomstig zijn van het Spaanse fascisme en werden omgebogen naar religieuze doeleinden.’

Op enkele uitzonderingen na kan worden gezegd dat de leden van Opus Dei – zoals Escrivá zei, handelt niet het Werk, maar handelen zijn leden – steeds de meest conservatieve politieke krachten steunen, vooral in ethische kwesties zoals ongehuwd samenwonen, euthanasie, abortus, contraceptie, medisch begeleide voortplanting en homoseksualiteit.

Pauselijke bescherming

Zoals elk organisme dat overtuigd is van zijn belang, wil Opus Dei zijn rol blijven spelen en uitbreiden. Dat is zijn echte ‘politiek’. Paulus VI was niet erg opgezet met de organisatie en wilde er geen personele prelatuur van maken. Als dat zo bleef, zou het Werk zich afscheuren van de Kerk, dreigde Escrivá in 1972 in Cronica, een van de tijdschriften van Opus Dei: ‘Het kwaad komt van binnenuit, uit de Kerk, van de top van de Kerk. De Kerk is aan het rotten. Soms lijkt het mystiek lichaam van Christus een stinkend lijk in ontbinding.’ Toen Karol Wojty?a paus werd, veranderde alles: in 1983 werd Opus Dei een personele prelatuur en in 2002 werd de stichter heilig verklaard.

Na de verkiezing van Joseph Ratzinger tot paus bleef het dezelfde kant op gaan. Daags na de verkiezing zei Escrivá’s opvolger als prelaat, Javier Echevarría: ‘De nieuwe paus kent de missie van de prelatuur goed en weet dat hij kan rekenen op de inzet van de priesters en leken die er deel van uitmaken: zij zijn bereid de Kerk te dienen – het enige doel dat Josemaría Escrivá nastreefde.’ In 2002, toen hij nog kardinaal was, had Ratzinger al gezegd: ‘Het theocentrisme van Escrivá de Balaguer, dat spoort met de woorden van Jezus, is uitdrukking van het vertrouwen dat God zich niet uit de wereld heeft teruggetrokken, dat hij ook nu aan het werk is. Het enige wat wij moeten doen is te zijner beschikking staan en inspelen op zijn oproep. Voor mij is dit uiterst belangrijk. Hiermee overwinnen we de grootste verzoeking van onze tijd: de veronderstelling dat God zich na de big bang uit de geschiedenis heeft teruggetrokken.’ Daarmee raakte de latere paus de kern van het doel van Opus Dei: God met alle middelen opsporen in de geschiedenis, waar hij zich ook bevindt.

Op 14 september onthulde en zegende Benedictus XVI het beeld van Josemaría Escrivá tegen de linker dwarsbeuk van de Sint-Pietersbasiliek
Op 14 september onthulde en zegende Benedictus XVI het beeld van Josemaría Escrivá tegen de linker dwarsbeuk van de Sint-Pietersbasiliek© VINCENZO PINTO / AFP

Hoe zal het Opus Dei vergaan onder de huidige paus, Franciscus? Dat valt af te wachten. Eén ding is zeker: deze man voegt de daad bij het woord. In september 2014 nam hij een maatregel zonder precedent in de lange geschiedenis van de katholieke Kerk: aartsbisschop Józef Weso ?owski, de vroegere apostolisch nuntius in de Dominicaanse Republiek, werd onder huisarrest geplaatst in het Vaticaan, waarover de paus soevereine jurisdictie heeft. Franciscus had gezegd dat hij hard zou optreden tegen priesters die beschuldigd werden van pedofilie. En hij deed het.

Gods Werk
© PHOTO 12 / ARCHIVES DU 7E ART / DR

Onder de aandacht door de Da Vinci Code

Na het wereldwijde succes van Dan Browns Da Vinci Code kreeg Opus Dei veel aandacht. Het literair niet zo hoogstaande maar narratief erg goed scorende boek roept het heersende wantrouwen tegenover het Werk zo goed op dat je er de vele onnauwkeurigheden bij vergeet. Moordenaar Silas bijvoorbeeld is een albinomonnik van Opus Dei, maar in de organisatie zijn er geen monniken. Dan Brown heeft gewoon handig ingespeeld op de duistere sfeer die rond de organisatie hangt. De prelatuur van Opus Dei heeft in 2003 in een communiqué vanuit New York laten weten dat de auteur ‘beschrijft hoe leden van het Werk macabere vormen van lichaamskastijding beoefenen en mensen doden, zegt dat de organisatie dwang uitoefent en aan hersenspoeling doet, en insinueert dat ze de bank van het Vaticaan waarborgen heeft gegeven in ruil voor het verkrijgen van de titel van personele prelatuur. Al deze beweringen zijn absurd en ongefundeerd.’

Gods Werk

Geen umberto eco lezen!

De Bibliografische leidraad voor de leden is eigenlijk niet zo verschillend van de Index librorum prohibitorum die van 1559 tot 1966 heeft aangegeven wat de gelovigen al dan niet mochten lezen. De 60.541 opgenomen boeken krijgen een cijfer van 1 (‘voor allen’) tot 6 (‘alleen te lezen met toelating van de prelaat’). Af te raden zijn bijvoorbeeld Isabel Allende, Norberto Bobbio, Benedetto Croce, Oriana Fallaci, Antonio Gramsci, Karl Marx, John Stuart Mill, Baruch Spinoza, De naam van de roos van Umberto Eco, de werken van Pasolini, de romans van Moravia, Morante, Mario Soldati en Philip Roth en verder Jean-Paul Sartre, Max Weber, Gore Vidal, Voltaire en Emile Zola. Een aanrader is bijvoorbeeld Lord of the Rings van Tolkien. Kritiek op deze houding wordt weerlegd met: ‘Opus Dei raadt haar leden aan inlichtingen in te winnen over wat ze willen lezen, maar laat iedereen vrij zelf te beslissen. Het gaat dus om een spirituele maatregel: begrijpen wat het waard is om gelezen te worden en je laten leiden door het verlangen om boeken te kiezen die overeenstemmen met je geloof en je levenskeuze. Dat heeft niets te maken met een “index van verboden boeken”.’ Het gaat dus alleen maar om raad, maar het is toch hoogst verbijsterend dat je boeken moet mijden die belangrijke componenten zijn van ons culturele en literaire erfgoed en van het hedendaagse denken.

Gods Werk
© SDF

Vrouwen bij Opus Dei

Voor de vrouwen gelden bijzondere regels. Zoals in een uitgesproken seksistische organisatie te verwachten is, geldt hier immers seksuele discriminatie. Van de vrouwen die in residenties van het Werk wonen, zijn er meer dan vierduizend ‘numerair-auxiliair’. Ze vervullen voltijds logistieke taken in de centra van de organisatie: koken, wassen, poetsen. In ruil daarvoor hoeven ze niet als boetedoening op een houten brits te slapen, wat hun hoger geplaatste medezusters wel moeten doen. Tijdens het werk dragen ze een uniform. Ze worden streng bewaakt. Dat gaat ver. Zo wordt bijvoorbeeld hun persoonlijke correspondentie ingekeken. Sommige critici zien in de strikte verdeling in mannen en vrouwen niet alleen de latente misogynie van de Kerk, maar ook regelrechte seksistische uitbuiting. In De Weg (punt 946) richt de stichter zich inderdaad als volgt tot vrouwen: ‘Als jullie je aan God willen geven in de wereld, moeten jullie meer nog dan geleerd (de vrouwen hoeven niet geleerd te zijn, verstandigheid is voor hen voldoende), geestelijk zijn, door het gebed nauw met de Heer verbonden; jullie moeten een onzichtbare mantel dragen, waarmee jullie al je zintuigen en vermogens bedekken: bidden, bidden en nog eens bidden; boeten, boeten en nog eens boeten.’ Deze nu onaanvaardbare visie gaat waarschijnlijk terug op de cultuur in het Spanje van de eerste decennia van de 20ste eeuw, de periode waarin Escrivá opgroeide. In elk geval had die seksofobe houding gevolgen voor het dagelijks leven. Zo schrijft ex-numerair Elena Longo in haar boek over het leven van de numerairs: ‘Tot de ascese van de instelling behoort dat je, zoals het daar heet, je hart moet bewaken – in alle omstandigheden, tegenover collega’s en tegenover alle soorten kennissen. Vrouwen en mannen moeten met alle mogelijke middelen vermijden geregeld of zelfs maar uitzonderlijk in een vertrek te werken waar je alleen bent met iemand van het andere geslacht. Als dat toch nodig is, moet je de deur van het vertrek openlaten. Je gaat best ook niet in een auto zitten met iemand van het andere geslacht. Als je werkomstandigheden het naleven van die regels ernstig bemoeilijken, is het beter je beroepsactiviteit op te geven, liever dan je keuze voor het apostolische celibaat in gevaar te brengen.’

Partner Content