24/11/11 om 17:06 - Bijgewerkt om 17:06

Elio Di Rupo is eenzaam

Met zijn ultieme toevlucht tot koning Albert heeft formateur Elio Di Rupo de voorbije dagen zijn laatste troefkaart uitgespeeld.

Elio Di Rupo is eenzaam

© Reuters

Met zijn ultieme toevlucht tot koning Albert heeft formateur Elio Di Rupo de voorbije dagen zijn laatste troefkaart uitgespeeld. Hij diende zijn ontslag in, liet de vorst tussenkomen om een probleem op te lossen dat hij zelf niet meer meester kon, en toog nadien terug aan het werk. Sinds zijn terugkeer uit het kasteel van Ciergnon is de formateur een eenzaam man. Eindelijk.

Want ook de PS en Elio Di Rupo hebben moeten leren wat zij wel wisten maar waarvan ze de consequenties onvoldoende hadden ingeschat: dat de partij die de eerste minister levert, ook de partij is met de grootste verantwoordelijkheid. De partij die leeft van het compromis binnen de regering. Die, ondanks haar grote gewicht (want daarom levert men de premier), per definitie geneigd moet zijn tot toegeven (want anders geen compromis, en dus geen regering). Dat kan bijzonder frustrerend zijn.

Vraag het de CVP maar, decennia lang de vaste leverancier van de regeringleider. In de jaren zeventig van vorige eeuw evolueerde die CVP naar een model waarbij de partijvoorzitter vaak de gevaarlijkste opposant was van de regering van de eigen premier. Wilfried Martens leidde een 'junta van partijvoorzitters' terwijl premier Leo Tindemans knarsetandend zat toe te kijken.

Nadien werd Tindemans voorzitter, na de beruchte 'coup' op het CVP-congres in de Brusselse Magdalenazaal, zeer tot ongenoegen van Martens. Vanaf het voorzitterschap van Frank Swaelen kwam er een langdurige pacificatie tussen premier en partij. Dat veranderde in de vroege jaren negentig: niet meer de partijvoorzitter, maar de Vlaamse minister-president wierp zich op als de uitdager van die de federale eerste minister. Luc Van den Brande irriteerde Jean-Luc Dehaene, en Kris Peeters schuwt het armworstelen met Yves Leterme niet.

De paar keren dat een andere partij de eerste viool speelde, stelde zich telkens datzelfde probleem. In de paarse jaren leverde de VLD de eerste minister, en het moet gezegd: ook al was Guy Verhofstadt een decennium eerder auteur geweest van een paar krasse Burgermanifesten, als premier van een paarse regering stelde hij zich meestal uitgesproken links-liberaal op. Tot het botste met de partijvoorzitter, in casu Karel De Gucht, precies over een links-liberaal thema als het stemrecht voor allochtonen. Partij en premier: nooit een evidente relatie.

Vandaag wil de PS de premier leveren. Normaal zou men zeggen: de oude oorlog uit het verleden is voorbij, want de PS is een partij met een strikte hiërarchie en discipline. Het zou de sterkte van Elio Di Rupo moeten zijn. Tijdens de regeringsonderhandelingen bleek dat nochtans niet zo.

Dat komt zowel door het gedrag van zijn partij als bij de kandidaat-premier. De PS beseft nog niet dat zij de partij is die de premier levert, en de prijs die dat kost. Di Rupo aanvaardt nog niet alle consequenties bij de functie van een regeringsleider. In de eerste plaats: afstand nemen van zijn eigen partij.

Dus van de PS. En dat is niet evident. Centraal in de PS-partijorganisatie staat de ongeëvenaarde studiedienst, het 'Institut Emile Vandervelde' of IEV. Ministers van andere partijen duchten dit "machtig machien". Begrotingsminister en vicepremier Guy Vanhengel (Open Vld) is in de voorbije jaren in een bui van wanhoop ooit zijn nood komen klagen bij zijn collega Laurertte Onkelinx (PS): "Laurette, kan je je Institut niet wat inhouden? Als de PS echt àlle slagen binnenhaalt, komen de andere partijen te weinig aan bod in het regeringsbeleid. En dat zal zich vroeg of laat wreken." Wat met Alexander De Croo ook gebeurde, trouwens.

Die situatie herhaalt zich. Het IEV heeft keihard gewerkt. Geen maatregel of het IEV stelde een fiche op. Alleen dient het IEV niet meer de vicepremier, maar de eerste minister. Dat lijkt een kleine verschuiving, het is een totaal verschillend perspectief. Een vice-premier waakt over het particuliere belang van zijn eigen partij.

Typevoorbeelden zijn en/of waren Joëlle Milquet of (in de Vlaamse regering) Geert Bourgeois: belangrijk, en te duchten. Een premier is de man van de hele regering, dus de (enige) persoon die de particuliere belangen moet overstijgen en zo mogelijk zelfs afhouden. In die zin is een eerste minister van tijd tot tijd de negatie van de vicepremier.

Het IEV heeft die bocht nog niet gemaakt. Het IEV beoordeelt voorstellen nog altijd in de eerste plaats aan de PS-meetlat. Het voorstel om bij de NMBS meer dan 200 miljoen euro te besparen had instemming van vijf van de zes partijen aan tafel. Behalve, zo bleek, van de PS zelf. Zelden viel een partij (en een kandidaat-premier) zo uit hun rol. Als in een moeilijke formule als een tripartite, in de Belgische context dus een sixpartite, alle partijen akkoord zijn over een belangrijke besparing, zegt de partij van de premier doorgaans 'dankuwel', en bezegelt het compromis.

Hier niet. Hier zei de PS 'non'. Men kan slechts gissen naar het waarom. Men kan zich slechts afvragen of komt omdat de werkgroep NMBS bij het IEV geleid wordt door José Damilot. Damilot kent inderdaad alles van de NMBS: deze FGTB'er was jarenlang hét gezicht van syndicale acties op het spoor. En wat zegt zo'n man als hij hoort van een miljoeneninlevering die mogelijk het personeel treft? Wat hij altijd zei: non.

Het wekt het vermoeden van een omgekeerde loyauteit. Het beeld dat zeker in Vlaanderen van socialistisch Wallonië leeft, is er één van een land dat bestuurd wordt door één partij, en die wordt gedomineerd door een almachtige voorzitter: le président, zelfs in die gelaïceerde beweging wel eens 'Dieu' genoemd. En iedereen is schatplichtig aan de partij: de ziekenkas, de vakbonden, verzekeraar P&V, de provincies, de gemeenten en de OCMW's.

Dat is de theorie. De praktijk is chaotischer, zo blijkt. De FGTB'ers roepen nu al dat ze er niet voor zullen terugdeinzen oorlog te voeren tegen een regering 'van sociale afbraak', zoals dat in hun jargon heet. In geijkte taal werd de nota-Di Rupo (die Alexander De Croo dus afdeed als ruim onvoldoende) al afgedaan als 'neo-liberaal'.

Het eigen gelijk eerst: ook Franstalige België ontsnapt er niet aan. Het FGTB voert de politieke druk hoog op op de PS, en de PS handelt in de regeringsonderhandelingen niet anders dan vroeger. Wat de positie van Di Rupo verzwakt in plaats van versterkt. Wie président blijft, wordt nooit echt premier.

En dan is er Elio Di Rupo zelf. Hij lijkt nog niet helemaal de consequentie te hebben aanvaard van zijn ambitie. Namelijk: wie premier wordt, stopt met (binnenlandse) politiek. Er is geen weg terug voor wie ooit het hoogste ambt heeft bekleed. Zeker, de uitzondering bevestigt de regel: Mark Eyskens was premier en was nadien nog meermaals minister, maar Eyskens was niet echt eerste minister. Hij werd geduld als regent voor de echte vorst van zijn tijd: Wilfried Martens, die op twee jaar tijd al vier regeringen had geleid, vervolgens even 'in de onmogelijkheid verkeerde om te regeren', nog voor die term bestond, en het nadien nog meer dan tien jaar zou volhouden.

Toen Martens premier-af was, verdween hij naar Europa. Net zoals zijn opvolgers Guy Verhofstadt, Jean-Luc Dehaene en Herman Van Rompuy. Inderdaad, ook Yves Leterme ging weg en kwam terug. Maar de buitenwereld vraagt zich soms af of hij ooit wel echt premier geweest is, in de betekenis van 'in noord en zuid aanvaard en niet-gecontesteerd als de politieke leider van het land'. En Leterme zelf vond en vindt dat hij nooit had moeten vertrekken, dus dat hij eigenlijk ook nooit echt is teruggekomen.

De formateur had de voorbije week die mentale sprong zelf nog niet gemaakt. Elio Di Rupo bleef de indruk wekken dat hij wat achter de hand wil houden: zijn stoel als partijvoorzitter laten warm houden door een vertrouweling. Di Rupo als Poetin, een betrouwbare kameraad als Medvedev: altijd bereid om op te staan als de echte baas dat vraagt. Di Rupo zal niet eens de enige zijn die leeft met de schrik dat de regering Di Rupo I wel eens sneller zou kunnen vallen dan de vijfhonderd dagen die het nodig had om gevormd te worden.

En toch zal die regering nooit gevormd raken, als de premier niet eerst zijn ambities begraaft. Toch die van persoonlijke, partijpolitieke aard. Hopelijk beseft hij het zelf, maar in Ciergnon verbrandde Elio Di Rupo ook zijn eigen bruggen. Hij kan niet nog eens terugvallen op de koning. Ook zijn krediet bij de onderhandelaars is zo goed als op: hij heeft hen allen met zijn persoonlijk manoeuvre voor het blok gezet, of toch aan de schandpaal van de publieke opinie ('Kunnen ze het dan echt niet'?) Elio Di Rupo is behalve aan hemzelf aan iedereen rond hem verplicht om te slagen. Vooral aan de eigen partij. Als hij mislukt, is er echt geen andere PS'er die in aanmerking komt om de regering te leiden. Dat betekent verlies van prestige, en wellicht ook van invloed en macht: dat vergeven zijn eigen troepen hem nooit.

Het is de paradox van de man: hij moet slagen, voor zichzelf, en vooral voor zijn partij. Als hij mislukt, ligt dat altijd ook aan hemzelf, en aan zijn partij.

Walter Pauli

Onze partners