Vrije Tribune
Vrije Tribune
Knack.be geeft hier een forum aan columnisten en gastbloggers
Opinie

17/01/11 om 11:41 - Bijgewerkt om 11:41

Een zinneke verdient beter dan een placebo (Wouter Bracquené)

Een fusie operatie van 19 Brusselse gemeenten met OCMW's en politiezones doe je niet in één pennetrek...

Je telt het inwonersaantal van Turnhout, Mechelen, Hasselt, Genk, Gent, St-Niklaas, Aalst, Leuven, Brugge, Oostende, Roeselare en Kortrijk samen (12 van de 13 Vlaamse centrumsteden) en je komt op een lager cijfer dan de 1.089.538 Brusselaars op 1.1.2010. Een fusie operatie van 19 Brusselse gemeenten met OCMW's en politiezones doe je niet in één pennetrek...

Natuurlijk is het gemakkelijk en eenduidiger als politicus of als academicus voor 1 fusie te pleiten. Toch lijkt me een debat over homogene bevoegdheidspakketten voor alle openbare actoren in onze hoofdstad prioritair op eenvoudige oplossingen op papier. Sommigen hebben al conclusies zonder hun argumenten prijs te geven, zo lijkt me.

Wat vandaag ontbreekt is een analyse over homogene bevoegdheden. Beleidsmatig moet men afwegen welk niveau het dichtst bij de bevolking staat en het best een dienstverlening kan uitbouwen. Subsidiariteit dus. Zeker bij meer technologisch onderbouwde dienstverlening geven bedrijfseconomische criteria daarbij de doorslag.

Een bedrijfsmatige analyse toont aan dat Brussel niet ontsnapt aan de tendens van groepering van bejaardentehuizen of van sportcentra in de commerciële sector. Moet de overheid daarnaast samenwerking tussen lokale overheden aanmoedigen-verplichten of kan elke gemeente op basis van juiste prioriteiten een dynamische dienstverlening garanderen. In de sportsector betekent dit bijvoorbeeld dat er in Brussel onvoldoende ruimte beschikbaar is voor ploegsporten waarvoor men nauwelijks terecht kan in het groeiende aanbod van commerciële fitnesscentra. Is elk Brussels OCMW in staat om voldoende capaciteit in rust- en verzorgingsbedden aan te bieden door nieuwe investeringen of door samenwerkingsverbanden met andere publieke of private investeerders?

Enige conclusie vandaag lijkt me dat wie de huidige 19 gemeenten zonder meer wil behouden, op hetzelfde niveau staat als wie een fusie tot 1 stad als voldoende oplossing voorstelt.

Dit laatste standpunt ontstond na 1989 vanuit een communautaire bekommernis binnen de plaatselijke overheden in Brussel en werd niet gedeeld door alle Vlaamse Brusselaars. De Brusselse SP pleitte toen onder impuls van Rik Coolen voor een herschikking naar een kleiner aantal sociaal en economisch leefbare gemeenten. Het Lombardakkoord in 2001 creëerde met bijkomende schepenen en federale middelen een andere dynamiek evenwel. Met wisselend succes vandaag...

Politici hebben al te vaak de neiging om in electorale belangen (lees: bevolkingsaantallen) te spreken en minder concreet vanuit de onderliggende economische, sociale en culturele factoren te werken. Laat staan na te denken over de optimale structuur wat een bedrijfsmatige analyse veronderstelt. Het is bekend: vanuit de reflex van de minste weerstand worden (Nederlandstalige) Brusselaars ook nog eens minder ernstig genomen binnen de Vlaamse partijen hoewel Brussel economisch en cultureel enorme troeven heeft voor Vlaanderen. Het aantal pendelaars uit Vlaanderen is hier bijvoorbeeld groter dan de totale werkgelegenheid in Antwerpen.

Brussel kan financieel onafhankelijk werken, maar dan moeten we af van een financieringswet die gebaseerd is op een gewestelijke financiering vanuit de personenbelasting met een solidariteitsbijdrage voor het gewest (zonder de gemeenten) omwille van de lagere opbrengst in Brussel-19.

Vennootschapsbelasting en BTW kunnen best bij de discussie over financiële verantwoordelijkheid van overheden betrokken worden. Brussel verdient gewoon een structurele financiële basis die bovendien oog heeft voor de solidariteit die men in andere gewesten opbrengt voor hun centrumsteden.

Natuurlijk willen wij ook dat politici nadenken over onze stad. Dromen koesteren en die checken bij de bevolking. Aan de academici om deze intenties te stimuleren, te toetsen en te onderbouwen.

Niemand ontkent dat alle overheden in ons land willen meespreken in Brussel, maar dat de verantwoordelijkheid van het resultaat in het beste geval enkel door techneuten kan achterhaald worden. Al zijn we vandaag in onze stad gespaard van het provinciaal niveau waarvoor men bijvoorbeeld in Leuven nog een heus parlementsgebouw liet optrekken.

Bij de inschatting van de oorzaken en de gevolgen van administratieve en politieke overlapping of tegenwerking is het laatste woord nog niet gezegd. De Nederlandstalige partijen maken een keuze voor de primauteit van de regio. In het Brussels parlement verzandt men al te vlug in een stellingenoorlog waarbij de Vlamingen aan de Franstaligen een status quo strategie aanwrijven en de Franstaligen de overdreven bescherming van een institutioneel beschermde minderheid als tegenargument opwerpen.

Die Nederlandstalige keuze is verwonderlijk: vaak wil men juist de actieve meertaligheid promoten en wordt daarbij de kunstmatige opsplitsing N-F in vraag gesteld. De vaststelling van een onaangepast institutioneel kader en de ongezonde concurrentie via politieke beïnvloeding ontgaan wellicht ook de beleidsverantwoordelijken niet. Tenslotte leeft in het Brusselse middenveld ook de bekommernis om de betrokkenheid van de bevolking bij het beleid te verhogen.

Dat men hiertoe uitgerekend het wettelijk tweetalig en potentieel meertalig niveau bij uitstek (plaatselijke besturen) en het niveau dat het dichtst bij de bevolking staat ontmantelt, wekt minstens verwondering. Gemeentelijke autonomie betekent dat de plaatselijke overheden tot en met fiscale bevoegdheid hebben. Het onderscheid gewest-gemeenschapsmateries is er geen belemmering. Het stemrecht op lokaal niveau is representatiever dan op gewestelijk niveau. Men kan bezwaarlijk aannemen dat het vervangen ervan door districtsraden het middel is om het niveau van de gemeentepolitiek te gaan professionaliseren of om de F-N verhouding te consolideren.

De garanties voor de Nederlandstaligen inzake gemeenschapsmateries op gewestniveau (GGC-materies: OCMW, gezondheid, mogelijkheid cultuur) hebben dit niveau politiek onmondig gemaakt. Een minister-voorzitter die omwille van de strikte pariteit binnen het verenigd college geen bevoegdheden krijgt en elk collegelid dat samen met een anderstalig collegelid zijn of haar beleid moet uitwerken, zijn misschien wel rationeel uitgedacht in conflicttermen maar blijven moeilijk werkbaar.
De toekomst van de Brusselse plaatselijke besturen hangt ook af van hun capaciteit om interne vernieuwing te realiseren. Zo houden Brusselse schepenen er aan zelf de contracten voor leveringen aan hun gemeente te tekenen. In de private sector wordt dit met een resultaatsverbintenis gedelegeerd aan account managers of in Vlaanderen is dit in de openbare sector mogelijk geworden via "budgethouderschap". De toekomst van de Brusselse gemeenten wordt best gelinkt aan de vernieuwing van de administratieve werking: met een politiek die zich focust op beleidskeuzes en een administratie die zich professioneel organiseert.

De sleutel van de discussie is dat men vandaag vaststelt dat beleidsniveaus elkaar tegenwerken waardoor de Brusselaar in de kou blijft staan. Om daaraan te remediëren is niet de keuze tussen gewest of lokaal prioriteit, maar wel dat homogene bevoegdheidspakketten de politiek versterken en haar voor de burger aanspreekbaar maken.

Wouter Bracquené voorzitter bibliotheek Sans Souci Elsene gewezen gewestsecretaris sp.a Brussel

Onze partners