26/05/10 om 11:07 - Bijgewerkt om 11:07

Dinsdag 25 mei: tweede finaleavond

Deze twee fenomenale pianisten slaagden er niet in nog maar het begin van een aha-erlebnis los te weken - bij mij tenminste niet.

Dinsdag 25 mei: tweede finaleavond

© Belga

Het is altijd - of laten we zeggen: bijna altijd - interessant, een pianoconcerto van Rachmaninov en een van Prokofjev kort na elkaar te beluisteren.
En daarbij te beseffen dat Rachmaninov vaak als een te-laat-romantische pleger van hollywoodiaanse tearjerkers wordt afgeschilderd, terwijl Prokofjev als een exponent van de vroege, Russische avant-garde geldt, die zelfs in rabiaat nieuwerwetse kringen altijd al is aanvaard.

Het is dan leerrijk, zich het vitriool van Dmitri Sjostakovitsj of de pretoogjes van Svjatoslav Richter voor de geest te halen, toen zij onthulden waarom Prokofjev Rachmaninov zo haatte: hij was door hem beïnvloed en heeft soms nagenoeg van hem afgeschreven. En hij was dol op geld, maar daar moeten we het hier verder niet over hebben.

War horses

Tijdens de tweede finaleavond van de Koningin Elisabethwedstrijd konden we alweer vaststellen hoezeer Sjostakovitsj en Richter het bij het rechte eind hadden. De Koreanen Jong-Hai Park en Sunwoo Yekwon kozen immers respectievelijk Prokofjevs en Rachmaninovs Derde Pianoconcerto, twee typische war horses op wedstrijden, al wordt Prokofjevs tweede concerto vaker gekozen - en is het nog frappanter dan het Derde van Rachmaninoviaanse signatuur.

Het grootste verschil zit hem niet in beider componisten klinkende resultaat, maar in hun artistieke intenties. Rachmaninov heeft helemaal geen reden om zich van de traditie te distantiëren, en neemt voor elke cantilene en voor elke retorische draai voelbaar zijn tijd.

Prokofjev zoekt aansluiting bij de milde scheenschopperij van de iets jongere generatie: de tongval is meer kortaangebonden, zoet cantabile moet regelmatig worden doorkliefd door een soort radheid die enigszins aan de machinale voorkeuren van de futuristen doet denken.

Dat maakt voor orkesten Prokofjev zonder twijfel moeilijker om spelen. En zonder de zeurkous met dienst te willen zijn, en zonder zonodig de hoeraberichten omtrent de prestaties van het Nationaal Orkest van België onder Marin Alsop van contrapunt te willen voorzien: dat was er dinsdagavond aan te horen.

Geen aha-erlebnis

Vergeef me deze omhaal - we moeten het immers over de kandidaten en hun prestatie hebben - maar het is zinvol om het genoemde verband en contrast tussen Rachmaninov en Prokofjev naast een uitspraak van pianist en frequent jurylid Jean-Claude Vanden Eynden te leggen: hij had liever Sunwoo Yekwon in Prokofjev en Jong-Hai Park in Rachmaninov gehoord.

Ik zou daar zelf niet opgekomen zijn, maar het is een mooie manier om te illustreren wat er dinsdagavond niet helemaal in de haak was. Aan iéts moet het immers liggen, dat deze twee fenomenale pianisten niet vermochten, nog maar het begin van een aha-erlebnis los te weken - bij mij tenminste niet. Altijd met twee woorden spreken.

Repertoirekeuze
Voor alle duidelijkheid: na de halve finale was Jong-Hai Park voor mij een van de sterkste kandidaten - of toch grootste kanshebbers: hij is immers de benjamin onder de laureaten. Op je negentiende een laatste Beethoven-sonate op die manier afleveren, dat is zeer, zeer indrukwekkend. Hij is een equilibrist, geen man van grote extremen, en als er zin voor exuberantie in hem schuilt, dan kan hij dat zeer goed verstoppen.

Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, zelfs niet om Prokofjev te spelen, maar wat je wél moet hebben, is wat ik psychologische startsnelheid zou willen noemen. Het weer kan bij Prokofjev snel omslaan, en je moet dat als uitvoerder fijn kunnen vinden. Het spelplezier wordt in Prokofjevs Derde bij voorkeur enigszins sardonisch en faunachtig - daarmee bedoel ik niet plantaardig, maar 'een beetje zoals een faun', uitdagend, letterlijk en figuurlijk een loopje nemend.

Eerlijk: daarvan heb ik niks gehoord. Goede vingers? Jazeker. Goede oren? Nog zekerder. Goudeerlijk? Absoluut. Schandalig dus, dat ik dat hier en nu onvoldoende moet vinden. Het is inderdaad mogelijk dat in een Rachmaninov, waarin je een iets groter plan kan opzetten, waarin je kan beitelen en ciseleren en tussendoor een liedje zingen, in plaats van om de haverklap je werk te moeten weggooien en opnieuw te beginnen, deze pianist beter tot zijn recht was gekomen. Maar repertoirekeuze mag en moet - als je dan toch een muziekwedstrijd wilt organiseren - een deel van de beoordelingscriteria zijn. En ik kan me niet voorstellen dat deze Prokofjev, in zo'n sterk deelnemersveld, het doorsnee jurylid heeft bekoord.

Overigens (want ik heb me misschien te sterk in het concertoverhaaltje laten gaan): Parks Schubert-sonate, de waanzinnig mooie, maar interpretatief problematische D.784 in la klein, bracht af en toe wél de evenwichtsvaardigheden aan het licht die ik me van de halve finale herinnerde. Je kan deze sonate makkelijk in een esthetiserend kleedje steken, maar Park doet dat niet: de octaven in het openingsdeel mogen pijn doen. Hoe dan ook een pijnlijke sonate; een beetje onheus, eigenlijk, om haar een wedstrijd aan te doen.

Mozartiaanse lichtheid

Parks landgenoot Yekwon Sunwoo kan je muzikaal gezien niet echt een equilibrist noemen, maar is zelf, als uitvoerder, wel van een indrukwekkende stabiliteit - dat betekent overigens niet foutloos, zoals we in zijn Beethoven-sonate (nr. 24 in de zwaar gealtereerde toonaard fa kruis groot). Maar geen nood: fouten tellen is voor een musicus zo zielig... Ik kan me niet voorstellen dat een jurylid (laat staan een jury) van de befaamde, roemruchte en alom gerespecteerde Koningin Elisabethwedstrijd zich aan zoiets verfoeilijks zou bezondigen.

Sunwoo Yekwons Beethoven passeerde vlot, commentatoren her en der wezen op het spelplezier, maar zelf ben ik de sonate terwijl ik dit schrijf alweer vergeten. De voornaamste reden is (alweer) subjectief: deze pianist zoekt het qua sonoriteit vooral in briljantie. Wanneer je met orkest speelt is dat slim, want het zorgt ervoor dat je moeiteloos boven het orkest uitkomt zonder daartoe buitensporig veel kracht te gebruiken. Het vergt wel een goed oor, en Yekwon Sunwoo heeft dat.

Die sterk dragende schittering in zijn klank maakt dat zijn Rachmaninov 3 velen overtuigde, ondanks de nogal onconventionele, haast Mozartiaanse lichtheid. Persoonlijk vond ik zijn aanpak te eenzijdig: echt cantabile, waarvan ik zo vrij ben te vinden dat het in Rachmaninov noodzakelijk is, kwam er niet van. Echt cantabile vereist immers niet alleen vuurwerk in de boventonen, maar ook goed gelieerde boventonen. Dat kan alleen wanneer die gevoed worden door een gezond en empatisch laag register. Dat is voor mij Sunwoo's voornaamste mankement als pianist. Al sluit ik niet uit dat de duidelijkheid, de betrouwbaarheid en de flegmatieke geestesrijkdom waarvan hij blijk gaf, de jury gemiddeld ten zeerste kon bekoren. We horen Rach 3 niet vaak tijdens deze sessie, en zoals men weet hoort een jury het zeer, zeer graag.

Petje af voor het Nationaal Orkest in Rachmaninov. Voor Prokofjev zullen we moeten terugkomen als er wat langer gerepeteerd kan worden.

Onze partners