Leen Huet
Opinie

12/10/10 om 15:24 - Bijgewerkt om 15:24

De zomer van 1944

Een goed geschiedenisboek lezen is prettig, maar mensen van lang geleden in hun eigen woorden horen spreken blijft het mooiste. Dan leven ze. In brieven, gedichten, boodschappenlijstjes, reisverslagen, losse notities.

Een uitgever die geïnteresseerd is in de geschiedenis van België heeft keuze te over. Liefdesgedichten van Margareta van Oostenrijk en Anna Bijns, brieven van de hertog van Alva, geuzen- en antigeuzenliederen, het dagboek van aartshertogin Isabella toen ze voor het eerst het Spaanse hof verliet om naar de Nederlanden te reizen, de korte autobiografie van de wispelturige hertog Karel van Croÿ, stuk voor stuk persoonlijke teksten, heel geschikt om een democratisch reeksje pockets te vullen.

Wat de twintigste eeuw betreft, kende ik Virginie Lovelings dagboek tijdens de Eerste Wereldoorlog, het relaas van de Kempense passeur Jan Vleugels die mensen over de Nederlandse grens smokkelde en het ingetogen verslag dat de Luikse tekenaar Jacques Ochs opstelde van zijn verblijf in het concentratiekamp Breendonk.

Het toeval speelde me vorige week een ander boekje in de hand, van een grotendeels vergeten Vlaamse schrijver. Fritz Francken schreef Churchill pakt aan tussen 6 juni en 4 september 1944: van de landing in Normandië tot de bevrijding van Antwerpen, op een regenachtige maandag.

Francken was een ambtenaar op de Antwerpse dienst voor toerisme; een dichter, een oud-strijder van de vorige wereldoorlog en een flamingant, getrouwd met een française. Hij noteerde wat voor weer het was (een barslechte zomer), het nieuws dat er over de opmars te rapen viel via Radio London en kleine voorvallen uit zijn kennissenkring. Op zaterdag 24 juni meldt hij: ''s Namiddags leest E. in besloten kring Het Dwaallicht voor, een novelle bevattend het relaas van zijn peregrinatie met drie Afghanen aan den havenkant, overvloeiend van humor en met een ondergrond van grote tederheid. Het verhaal, alhoewel aanknopend bij een banaal incident, verloopt als een sprookje. Wie E. voor een gevoelloos spotter houden, vergissen zich: het slot van zijn verhaal afraffelend, heeft E. een krop in de keel, stokt zijn stem.' Op 9 augustus luidt het: 'De reconstructie van Rubens' huis en atelier vordert traag; tekort aan arbeiders en grondstoffen. Er is mogelijk een tikje opzettelijkheid mee gemoeid: moest het gebouw voltooid zijn, dan diende het te worden ingewijd, plechtigheid welke de Commissie wenst te vermijden, zolang er vreemde heersers in het land aanwezig zijn. ... Dit museum wordt mettertijd heus Antwerpens grootste toeristische attractie.' En er is nog meer boeiend cultureel nieuws. Op 16 augustus schreef Francken: 'Vorige week overvielen en ontwapenden onbekenden de gendarmen die te Lavaux-Ste-Anne de opgeborgen Antwerpse kunstschatten bewaken. Gedurende de schietpartij werd conservator B. lichtelijk verwond.'

Franckens kroniek geeft een goed beeld van de honger, de duurte van de levensmiddelen, de terreur van opeisingen en verklikkingen in de stad, het gevoel van roerloosheid en beklemming. Hij was een patriottische flamingant: een type dat wellicht meer voorkwam dan we nu denken. De feestdag van 11 juli wekte geen enthousiasme bij hem: 'Denkt men dat er in Vlaanderen, bij een eventuele triomf van het Duitse leger, over twintig jaar nog spraak zou zijn van het Vlaams, anders dan als van het plat Duits? Zich tegen de Duitsers kanten wil zeggen: Vlaanderen en de Vlamingen behoeden voor ondergang. Wij hebben ons eeuwenlang met succes kunnen verweren tegen de invloed van het Frans. Het zou echter moeilijker vallen onze moedertaal te beveiligen tegen de inwerking van het stamverwante Duits, vooral als de heren naar hartelust de plak over ons mochten voeren.' Een taalkundig argument met een zeker gewicht. Een beluisterenswaardige stem in het overweldigende koor van de Tweede Wereldoorlog, deze heer Francken.

Leen Huet

Onze partners