20/01/13 om 08:42 - Bijgewerkt om 08:42

De rekenkunde van de regering Di Rupo: 2/3de = 1/3de

In het kader van optimistische veronderstellingen mogen de Belgische burgers er van uitgaan dat hooguit 1/3de van de weg naar gezondmaking van de publieke financiën is afgelegd. En dus niet de 2/3de waar Steven Vanackere mee uitpakt.

De rekenkunde van de regering Di Rupo: 2/3de = 1/3de

© EPA

De begroting voor 2012 werd afgesloten, zo blijkt uit nog niet helemaal finale cijfers, met een tekort van 2,98% van het BBP, een zucht onder de Europees zo belangrijke 3%. De overheidsschuld blijft met 99,7% van het BBP heel nipt onder de psychologisch belangrijke grens van de 100%. Vice premier en minister van Financiën Steven Vanackere zorgde onmiddellijk voor een stevig stukje nieuwsshow. Er is volgens hem "land in zicht" inzake de begrotingssanering. Tweederde van de weg is afgelegd, zo stelde Vanackere onder meer in het radioprogramma Vandaag. De waarheid is, zoals meestal bij begrotingstoestanden, iets genuanceerder.

De Rupo I zou, zo stellen alle tenoren van de regering in koor, 18 miljard euro aan maatregelen genomen hebben. Steven Vanackere stelt dat we daarmede dus reeds 2/3de van de weg inzake noodzakelijke begrotingssanering hebben afgelegd. Volgens deze rekenkunde zijn er 27 miljard euro aan ingrepen nodig om te kunnen gewagen van een echte gezondmaking van onze openbare financiën. Dat globaal bedrag van 27 miljard spoort behoorlijk goed met de becijferingen te vinden in het in oktober 2012 neergelegde jaarlijks verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing die functioneert in het kader van de Hoge Raad van Financiën.

Hoe reëel zijn echter de 18 miljard euro door de regering de voorbije 14 maanden bij elkaar geschraapt? Nadere analyse leert dat de batterij aan maatregelen goed voor 18 miljard euro kan opgedeeld worden in drie grote groepen, nl. eenmalige maatregelen, structurele uitgavenverminderingen en blijvende belastingverhogingen. De 18 miljard volgens deze posten opgesplitst levert de volgende bedragen op (behoudens anders aangegeven zijn alle vermelde bedragen in miljoen euro):

Eenmalige maatregelen: 7,4 miljard euro, nagenoeg gelijkmatig gespreid over inkomsten en uitgaven. Langs de inkomstenkant gaat het dan o.m. om de heffingen op het pensioensparen (720), confiscatie van bankreserves (630), fiscale amnestie (500), Bpost-bijdrage (400), dividendingrepen (400) en de veiling van licenties (370). Langs de kant van de eenmalige besparingen springen de volgende maatregelen het meest in het oog: allerhande correcties en her-ramingen (800), ingrepen in de gezondheidszorg (950), interesteffecten (500) en besparingen bij overheidsbedrijven (360), bij defensie (160) en bij ontwikkelingshulp (300).

Structurele uitgavenverminderingen: 2,8 miljard euro. De voornaamste ingrepen situeren zich hier in de gezondheidszorg (1600), de hervorming van de arbeidsmarkt (300) en de hervorming van de pensioenen (200).

Structurele inkomstenverhogingen: 7,9 miljard euro. Hier zitten de grootste posten bij de belastingen op ondernemingen (2700), de belasting op het sparen (1600), de bestrijding van de fraude (1000), de personenbelasting (1000) en verhoging van BTW en accijnzen (600).

Gaat het om structurele sanering van de publieke financiën dan moeten uiteraard de eenmalige maatregelen uitgesloten worden. Gegeven de eenmaligheid zal men de komende jaren telkens dezelfde inspanningen op de één of andere manier moeten herhalen om per saldo tot eenzelfde begrotingssaldo te komen. In het jargon van Vanackere: de weg van de eenmalige maatregelen moet elk jaar opnieuw terug afgelegd worden. 18,1 miljard min 7,4 miljard aan eenmalige maatregelen maakt dat er nog 10,7 (2,8 + 7,9) miljard euro overblijft van het ganse pakket van Di Rupo I.

Het blijvende karakter van inkomstenverhogingen moet ook met de nodige omzichtigheid ingeschat worden. De strijd tegen de fraude, bijvoorbeeld, levert steeds opnieuw een stuk minder op dan vooropgesteld door regeringen. Hoe succesvoller deze strijd gevoerd wordt, hoe meer de fraude zal verdwijnen en hoe kleiner dus ook de opbrengst van strijd tegen de fraude zal worden. In het algemeen geldt tevens de regel dat belastingverhogingen minstens gedeeltelijk zelfvernietigend zijn. Wij passen immers ons gedrag aan en dat heeft absoluut niks met fraude te maken. Als de overheid, bijvoorbeeld, de belasting op bepaalde types van voertuigen opdrijft dan zullen wij simpelweg met andere, minder belaste types van wagens gaan rijden. De verhoopte opbrengst van de initiële belasting komt er dus niet. Rekening houdend met deze realiteit is het een optimistische inschatting om er van uit te gaan dat de 7,9 miljard euro aan inkomstenverhogingen voor een 6 miljard euro echt als structureel kunnen ingeschat worden.

In termen van structurele begrotingsingrepen harkte Di Rupo I tot nu toe dus 8,8 (2,8 + 6) miljard euro bij elkaar en dit op voorwaarde dat alle voorgenomen besparingen ook integraal worden uitgevoerd. Dit komt neer op 32,6% van de ook volgens Steven Vanackere noodzakelijke 27 miljard euro. De regering Di Rupo I heeft dus niet 2/3de maar 1/3de van de noodzakelijke weg inzake begrotingssanering afgelegd. Bovendien liggen aan die conclusie vier hypothesen ten gronde die maken dat ook de claim van 1/3de van weg afgelegd nog erg optimistisch uitvalt.

Ten eerste is er de vaststelling dat de Vergrijzingscommissie de voorbije jaren de kosten van de vergrijzing jaar naar jaar opwaarts diende te herzien. Ook nu blijven de hypothesen van de Vergrijzingscommissie vrij rooskleurig (bv. inzake productiviteit en tewerkstellingsgraad). Bovendien zal de huidige recessie zowel op korte als op middellange termijn voor bijkomende averij inzake vergrijzingskosten zorgen.

Ten tweede, bij de argumentatie bovengaand ontwikkeld gaat het uitsluitend om bijkomende overheidsschuld. Anders uitgedrukt: het gaat om maatregelen noodzakelijk om een verdere oploop van de overheidsschuld boven de 100% van het BBP die nu bereikt zijn, te vermijden. De regering gaat er dus minstens impliciet van uit dat we met zulk een overheidsschuld zonder problemen verder kunnen. Voor Europa moeten we op termijn van 20 jaar naar 60% maar dat is een perspectief waar niemand nog écht veel realiteitswaarde aan toekent.

Ten derde houdt de boven ontwikkelde redenering in dat we inzake fiscale druk, concurrentievermogen en publieke investeringen in onderwijs en infrastructuur in een bevredigende situatie zitten. Dat is natuurlijk helemaal niet zo. Structurele verbetering van de publieke financiën vereist meer economische groei en meer jobs. Die komen er niet, of in ieder geval in volstrekt onvoldoende mate, met de huidige fiscale druk, het huidige concurrentievermogen en de actuele stand van zaken met betrekking tot overheidsinvesteringen. Naast institutionele maatregelen die geen geld kosten, zal correctie van die drie tekortkomingen van ons sociaal-economisch systeem toch ook maatregelen vergen die geld kosten vooraleer ze geld kunnen opbrengen.

Ten vierde zitten we nu qua hoogte van de rentestand, zowel op de kortere als op de langere termijn, allicht op een absoluut dieptepunt. Uiteraard kan en zal deze situatie niet eindeloos blijven duren. Gaan de rentes omhoog dan zullen onvermijdelijk de landen met een hogere schuldgraad (zoals België) de meest gepeperde rekening gepresenteerd kregen.

De structurele sanering van onze publieke financiën is méér dan ooit noodzakelijk. De regering-Di Rupo I kreeg van de regeringen Verhofstadt geen gezonde erfenis in de maag gesplitst. De job waar Di Rupo I voor staat is mede daardoor loodzwaar. Elke inspanning verdient respect maar de waarheid blijft wel haar rechten houden. Het gaat echt niet op te beweren dat deze regering 2/3de van de saneringsweg heeft afgelegd. Wie dat blijft volhouden, zal zich eerder vroeg dan laat met een Lance-Armstrong-bij-Oprah-Winfrey-moment geconfronteerd zien.

Johan Van Overtveldt

Onze partners