Luc Baltussen
Opinie

06/09/11 om 12:19 - Bijgewerkt om 12:19

De prijs van het succes

De dienstencheques staan weer in de belangstelling. Daar zijn goede redenen voor, en die gaan heel wat verder dan het feit dat het stelsel veel geld kost en dat de regering (welke dan ook) moet besparen.

Op de achtergrond van de huidige discussie over dienstencheques speelt een bijzonder grondig rapport mee van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin over de rol van de dienstencheque in de zorgsector. Dat rapport laat zien dat het snelle succes van de dienstencheques onze samenleving confronteert met fundamentele vragen over hoe we eigenlijk met overheidsgeld - met ons belastinggeld - willen omspringen.

De dienstencheques werden bedacht als een manier om poetsvrouwen in de particuliere sector uit het zwartwerk te halen. Ze zijn uitgegroeid tot een sector die 2,2 procent van de totale werkgelegenheid voor zijn rekening neemt. Voor vrouwen 7 procent en in sommige provincies zelfs 10 procent. Ter vergelijking: de hele zorgsector is goed voor 11 procent van de totale werkgelegenheid. In financiële termen gesproken zijn de dienstencheques vandaag officieel goed voor een omzet van 2 miljard euro, en de overheid neemt daarvan een groter deel rechtstreeks voor haar rekening (namelijk driekwart) dan ze in de zorgsector doet. De auteurs van het rapport wijzen erop dat het systeem bovendien nog geniet van enkele andere 'verborgen' overheidsgunsten, wat de totale publieke kosten van het stelsel op 2,2 miljard euro brengt. Voor Vlaanderen zijn de publieke kosten van de dienstencheques goed voor pakweg 1,3 miljard euro. Een enorm bedrag, als je het bijvoorbeeld vergelijkt met het budget voor welzijn en gezondheid: 3,2 miljard.

Dat regeringen die in 2012 22 miljard euro moeten besparen belangstelling hebben voor een sector die nu al 2,2 miljard middelen opslorpt en bovendien nog vrolijk groeit, is logisch. Zeker in het licht van enkele evidente aberraties. Zoals de nettoprijs van een werkuur, voor de gebruiker, na recuperatie van het fiscale voordeel: nauwelijks 5,25 euro of een flink stuk minder dan de prijs van een uur zwartwerk (8 à 10 euro). Met de dienstencheque geniet de gebruiker een kwaliteitsgarantie én een legale service; het houdt economisch geen steek dat dit hem minder kost dan een illegale en ongecontroleerde dienstverlening. Ook het aantal uren dat gebruikers fiscaal mogen aftrekken, vele keren hoger dan wat ze gemiddeld nodig hebben, getuigt van de overgenerositeit van het stelsel. Aangezien intussen ook zowat de helft van de gebruikers laat verstaan dat de fiscale aftrek niet essentieel is om voor dienstencheques te opteren, en dat zelfs een verhoging van de nominale kostprijs (momenteel 7,5 euro) bespreekbaar is, lijkt een grotere rol van de gebruikers in de financiering van het stelsel een uitgemaakte zaak.

Maar daarmee is de kern van de kwestie nog niet aangeraakt. Uit het rapport blijkt dat de dienstencheques en de zorgsector meer en meer in elkaar schuiven. Commerciële dienstenchequebedrijven gaan steeds meer zorgtaken aanbieden, rechtstreeks aan zorgbehoevenden of via de zorginstellingen. En die instellingen worden ook zelf steeds actiever via dit stelsel, omdat ze op die manier soms gemakkelijker hun diensten kunnen aanbieden dan via de traditionele zorgsystemen.

Het rapport dringt er (niet voor de eerste keer) op aan het debat over de dienstencheques meer expliciet te voeren in het kader van het zorgbeleid. Dat zou het alvast gemakkelijker kunnen maken om de zware overheidsinbreng te verantwoorden. Waarom de overheid het doen van uw of mijn strijk moet subsidiëren, is een stuk minder evident. En als het gaat om de arbeidsplaatsen die via de dienstencheques gecreëerd worden, kan ook de zorgsector ongetwijfeld voor de nodige vraag instaan. Dat lijken mij stevige argumenten.

Luc Baltussen

Onze partners