Ludo Bekkers
Ludo Bekkers
Kunst- en fotografierecensent
Opinie

19/08/13 om 09:37 - Bijgewerkt om 09:37

De Picasso's van een Syrische verzamelaarsfamilie

Het lijkt er op dat de hele kunstmarkt rond hen draait met koop en verkoop.

De Picasso's van een Syrische verzamelaarsfamilie

Wie kan het zich vandaag voorstellen dat een familie uit Syrië zich ontwikkelde tot topverzamelaars van moderne kunst. Het is een historie die zich concretiseert in een Picasso-tentoonstelling in Monaco.

Eerst het verhaal van een soort familiesaga. Het begon in 1895 in Aleppo met de oervader Hilllel Nahmad, een bankier die in 1945 verhuisde naar Beiroet. Tussen zijn talrijke kinderen zijn er drie die opvallen, Josef, Ezra en David. Josef installeert zich in Milaan, doet er goede zaken en begint het werk van jonge, belovende Italiaanse kunstenaars te verzamelen. Niet gespeend van enige artistieke flair koopt hij schilderijen van Lucio Fontana en sculpturen van Arnaldo Pomodore maar ook zet hij zijn zinnen op Wilfredo Lam, een Cubaan die toen in Italië woonde en valt hij ook op de dan al oudere Giorgio de Chirico. Nu allemaal topkunstenaars die tot op vandaag hoge toppen scheren.

Maar het gaat niet goed met Josef, door een beurscrash schiet hij er zijn hele fortuin bij in en ook een aanzienlijk deel van dat van zijn vader. Maar hj en zijn broers blijven niet treuren en soms keert een nadeel om tot voordeel. De verzameling van Josef wordt verkocht en niet zonder winst. De drie broers ontdekken dan de mogelijkheden die de kunstmarkt biedt ook al omdat ze van jongs af wisten wat handel betekende. Ze waren nog kinderen toen ze in Beiroet al engelse romans verkochten aan Amerikaanse mariniers.

Later, in Milaan, verkochten ze aan voetbalsupporters in de stadions T-shirts die vlug/vlug een opdruk kregen, halfweg de wedstrijd, anticiperend op de uitslag van de match. Het zat er dus al jong in. Om wat zicht te krijgen op de beeldende kunst raadpleegden ze in Parijs de grote galeristen zoals Daniel-Henry Kahnweiler of André Maeght. Die zagen wel dat de broers commerciële kwaliteit aan boord hadden en de eerste vertrouwde hen enkele Picasso's toe en de andere schilderijen van Braque en Miro. Het duurde geen eeuwigheid of de "amateurs" verschenen op de Italiaanse markt waardoor er daar op korte termijn een netwerk van verzamelaars ontstond.

Het succes in Italië dreef hen naar New York waar ze in 1971 een kunsthandel opzetten. Van daaruit prospecteerden de gocheme jongens andere steden in de V.S. , trokken naar Europa en ook naar Azië want het was hen niet ontgaan dat de Japanners, aanvang 1980, een meer dan gewone belangstelling betoonden voor impressionistische en moderne kunst. Maar dan komt de crisis op de Japanse huizenmarkt waardoor de bronnen van de kunstkopers droog vielen met bovenop het débacle van de kunstmarkt in 1990, die niet scheen te eindigen en die de sector nooit voordien had gekend.

Maar geen nood, de slimme jongens Nahmad ontpopten zich van verkopers tot kopers. Op een depressieve kunstmarkt verschenen zij als, bij manier van spreken, engelen des doods. Aan opvallend lage prijzen scharrelen ze een rits meesterwerken bijeen aan relatief lage prijzen. Helly Nahmad, een zoon van Ezra, galerist in Londen, vertelt dat, tussen 1990 en 1997 de familie vrijwel de enige speler op de markt en op de veilingen was. We konden gemakkelijk de helft van een veiling of soms het complete aanbod kopen zegt hij.

Het tijdschrift Forbes evalueert hun stock tussen de 4000 en 4500 kunstwerken en de Financial Times schat er de waarde van rond 3 miljard euro. Ze worden hoofdzakelijk gestockeerd in beveiligde magazijnen in de vrije zone van de luchthaven van Genève. David Nahmad beweert dat "het aantal werken van niet al te groot belang is. We bezitten bijvoorbeeld 1500 Italiaanse schilderijen uit de 19de eeuw uit een collectie die we bij Christie's kochten in 1979. Maar dat getal wil niets zeggen want het ensemble is minder waard dan één Picasso".

Het lijkt er op dat de hele kunstmarkt rond hen draait met koop en verkoop. David vertelt daarbij dat hij korte tijd geleden een Matisse voor 5 miljoen dollar terugkocht die hij vijfentwintig jaar geleden uit de collectie Renand aangekocht had voor 2 miljoen dollar. Maar hij vond het een moment van grote emotie en een intense vreugde om dat werk terug te vinden. Om maar te zeggen hoe de Nahmads verweven zitten in de kunsthandel.

Maar die evolueert want er komt een ander soort kopers opdagen en met name de Arabische staten zoals Qatar die over nog veel meer middelen beschikken. David is daar kritisch over en staat niet achter de speculatieve tendensen die de hedendaagse kunstmarkt overheersen. Er zijn geen vaste waarden meer, alleen het commerciële telt, zegt hij. Er is vandaag geen passie meer zoals vroeger toen men op de belangrijke veilingen in Parijs bij Drouot échte amateurs ontmoette. Vandaag ziet men er cijferaars die wel Picasso kennen maar geen weet hebben van Braque. En om te besluiten : Nietzsche schreef dat, wanneer een object een prijs heeft de waarde er van ver te zoeken is. Het is de intellectuele dimensie van een kunstwerk die het zijn waarde geeft. Het omgekeerde is een leugen.

Wat de tentoonstelling zelf betreft lijkt het er op dat er zo iets als een Nahmad kunstsmaak zou bestaan waar men het eens mee kan zijn of niet. Wat bijvoorbeeld opvalt is dat de kubistische periode van Picasso ondervertegenwoordigd is ten voordele van de zogenaamde blauwe of roze periode. Maar dit manco terzijde, schrijft de criticus van "Le Monde", hangen de zalen vol met meesterwerken. En vooral boeiend is het oeuvre dat de kunstenaar op het einde van zijn leven tot stand bracht. Beelden die nog tijdens zijn leven werden getoond maar die de kritiek neersabelde als het werk van een seniele grijsaard en erotomaan. De kunstmarkt baalde er van maar niet de Nahmads. Men moest zelf haast geniaal zijn om er de genius toch in te herkennen. Dat blijkt nu overduidelijk.

Ludo Bekkers. Tentoonstelling "Monaco fête Picasso", Monaco, Grimaldi Forum, nog tot 15 september.

Onze partners