Robert D. Kaplan - Voorbij de grenzen van het Amerikaanse imperium

06/02/08 om 20:00 - Bijgewerkt om 19:59

Robert Kaplan is het slechte geweten van conservatief Amerika. Voor zijn nieuwe boek bezocht hij Amerikaanse zee-, land- en luchtstrijdkrachten over de hele wereld: Afrika, Indonesië, de Stille Oceaan, Irak, Thailand en Zuid-Korea.

Robert D. Kaplan
Geboren in 1952 in New York.

Joods-Amerikaanse auteur en journalist, verbonden aan de Atlantic Monthly.

Versloeg in 1984 de oorlog tussen Iran en Irak en maakte naam met boeken over de oorlog van de Afghaanse guerrilla tegen de Sovjets (Soldaten van God, 1990) en de burgeroorlog in de Balkan (Balkanschimmen, 1993).

Specialiseerde zich later in het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten.

Behoort met Samuel Huntington en Francis Fukuyama tot de invloedrijkste neoconservatieve auteurs in Amerika.

Robert D. Kaplan - Voorbij de grenzen van het Amerikaanse imperium. Reizen met soldaten over land, ter zee en in de lucht
Uitgeverij: Het Spectrum, Utrecht, 2008
Aantal pagina's: 446
ISBN: 9789027425614

Robert D. Kaplan - Voorbij de grenzen van het Amerikaanse imperium

Voor zijn nieuwe boek bezocht Robert Kaplan Amerikaanse zee-, land- en luchtstrijdkrachten over de hele wereld: Afrika, Indonesië, de Stille Oceaan, Irak, Thailand en Zuid-Korea. Die militairen spelen een grote rol in de missie van de Verenigde Staten. Kaplan is niet bang om erop te wijzen dat Amerika een wereldwijde plicht heeft.

'Militaire macht is het verlengstuk van de beschaving. Maar de militairen hebben niet de kans, en ook niet het recht om zich te verantwoorden. Dat doe ik voor hen. Zij knappen het werk op waarvoor anderen zich schamen. Door mij spreken stemmen van overtuigde democraten.'

Maar het is wel een eenzijdige, militaristische stem. De stem van de veroveraar?

ROBERT KAPLAN: Er is maar één grootmacht overgebleven, de Verenigde Staten. Het is niet alleen het recht, maar zelfs de plicht van Amerika om zijn 'keizerlijke' rol ten volle te spelen. Overal ter wereld ervaren onze soldaten vandaag dezelfde uitdagingen, dezelfde ontgoochelingen en hetzelfde onbegrip dat de verdedigers van vroegere wereldrijken hebben ondergaan.

Of dacht je dat de Hollanders van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in de Indische Oceaan een andere opdracht hadden? Of de Portugese zeevaarders in de zestiende eeuw, of de Spanjaarden in Zuid-Amerika? De Verenigde Staten bewijzen de wereld een grote dienst door als politieman op te treden.

Wat met de landen in het Midden-Oosten, Azië en de Stille Oceaan die niets willen weten van de Amerikaanse bemoeienissen?

KAPLAN: Amerika heeft geen andere keuze. Het alternatief is een wereld zonder stabiliteit en vol gevaren. De globalisering is een feit. Maar dat betekent ook dat nog altijd drie vierde van de handelsstromen over zee gaan. Als de Amerikaanse vloot geen toezicht houdt over de Straat van Malakka, dan zou de piraterij daar enorm toenemen. Of over de Straat van Hormoez, waar radicale landen zoals Iran de olietankers zouden controleren. Of Washington het nu wil of niet, zijn troepen moeten de grenzen van de wereld beveiligen - en die liggen verspreid over de hele aardbol.

Maar militaire interventies zetten altijd kwaad bloed.

KAPLAN: Toch kan het niet anders. Ik besef wel dat elke interventie op haar tekorten en verdiensten moet worden beoordeeld. Maar Irak is Vietnam niet. Het was noodzakelijk dat Amerikaanse troepen ingrepen in Kosovo, Bosnië, Afghanistan en Irak. In de toekomst zal dat niet anders zijn. Die tussenkomsten moeten beter worden doordacht, en uitgroeien tot multilaterale operaties.

Waarbij de Verenigde Staten zich verschuilen achter hun bondgenoten of opdrachten van de Verenigde Naties?

KAPLAN: Nee, we moeten ook niet schijnheilig zijn. Keer de zaken om. Bij elke grote crisis, de tsunami in Indonesië, een aardbeving in Zuid-Amerika, de volkerenmoord in Darfur, vraagt iedereen meteen: waar blijven de Amerikanen? Wie het meest cynisch doet over de Amerikaanse suprematie, roept ook het luidst dat Amerika in gebreke blijft als het niets doet.

Dat is ook het credo van de Amerikaanse legereenheden waarmee u bent opgetrokken. Ze voelen zich onbegrepen, omdat ze het vuile werk opknappen terwijl het thuisfront zich afzijdig houdt. Noam Chomsky bestempelt u letterlijk als een uiterst rechtse jingoïst.

KAPLAN: Ik ben geen oorlogshitser. Ik ben een conservatief, zeker, een tragische realist. Ik besef de onontkoombaarheid van de dingen. In mijn boek doe ik verslag van de tijd die ik heb doorgebracht met de mensen die onze belangen verdedigen: duikbootbemanningen, de landmacht in Irak, de piloten van een B-2 bommenwerper, een squadron in Thailand enzovoort. Ik geef hun een stem, want ze worden nergens gehoord.

Dat heb je met een leger dat geen dienstplichtigen heeft. Het Amerikaanse leger bestaat uit vrijwilligers met een gedegen mentaliteit, die onze belangen laten voorgaan op hun eigen angsten. Terwijl de intellectuelen aan het thuisfront eindeloos debatteren over het nut van hun interventie, staan zij overal klaar om het werk op te knappen.

De kloof met de publieke opinie groeit, naarmate het Amerika meer voor de wind gaat. Maar een leger wil liever ten strijde trekken dan te worden ingezet om de schade van een tsunami op te meten. Het verkiest de risico's van het slagveld boven het gepraat van diplomaten.

Is elk groot rijk uiteindelijk niet gedoemd om te verdwijnen? Zal het Amerika anders vergaan?

KAPLAN: Net daarom moet de Amerikaanse grootmacht zichzelf overbodig maken. Dat één grootmacht de wereld beheerst, lokt alleen maar terreur en geweld uit. Het is in het belang van Amerika dat er opnieuw een multipolaire wereld ontstaat, want Amerika kan de lasten en de kosten van zijn hegemonie niet langer dragen. Dat proces is al aan de gang. De Japanse vloot is al vier keer groter dan de Amerikaanse, en de Indiase en de Chinese legers groeien in snel tempo. Je kunt niet de hele wereld controleren.

Amerika doet net als Rome in de oudheid. Het zet plaatselijke legers op om de toestand te stabiliseren. Maar ik ben niet blind, het zwaartepunt verschuift van het Westen naar de Stille Oceaan. China wordt een bedreiging, al hoeft daar geen oorlog van te komen. Peking zet veel in op een vanuit de ruimte gestuurde raketafweer en op zijn zeemacht.

Er is daarom een groeiende bezorgdheid over het lot van Taiwan, dat dreigt met een eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring. Maar ik kan de Taiwanezen best begrijpen. Dit is een uitgelezen ogenblik om hun troeven uit te spelen. Met de Olympische Spelen in Peking in het verschiet zal China nooit een open conflict riskeren.

Verdedigt u het beleid dat Bush heeft gevoerd, vooral inzake Irak? U verwijt hem soms dat hij een idealist is, zoals u oud-minister van Defensie Donald Rumsfeld een gebrek aan communicatievaardigheid aanwrijft.

KAPLAN: Bush heeft zijn opdracht in Irak schitterend volbracht. In november 2006 gingen er stemmen op om de Amerikaanse aanwezigheid in Irak zo snel mogelijk af te bouwen. Maar Bush ging in tegen het Congres, stelde een nieuwe generaal, David Petraeus, aan en slaagde erin Irak voldoende te pacificeren om er begin dit jaar naartoe te gaan. Dat moet je toch maar doen. Ik ben ervan overtuigd dat de nieuwe president die slagkracht doorzet.

In het Amerikaanse beleid zit meer continuïteit dan je denkt. Het is zelfs goed dat een Republikeinse president moet opboksen tegen een Huis van Afgevaardigden dat door de Democraten wordt gedomineerd, of omgekeerd. Dan is er meer bereidheid om compromissen te bereiken.

Kijk naar ons Chinabeleid. Sinds het begin van de jaren zeventig en het bezoek van Nixon aan Peking is er nauwelijks iets aan gewijzigd. De omslag in onze Midden-Oostenpolitiek kwam er veertien maanden geleden. Ook als de volgende president een Democraat is, zal het huidige buitenlandse beleid worden voortgezet. Het verschil zal oppervlakkig zijn. Meer betrokkenheid van Europa, meer aandacht voor Afrika.

Rumsfeld was een grote geest, maar een even grote oen. Hij had prachtige ideeën, maar hij was door en door arrogant. Als je erin slaagt een opstand van je eigen generaals uit te lokken, dan is er echt iets mis met je aanpak. Van Roosevelt werd gezegd dat hij een middelmatig verstand had, maar beschikte over formidabele sociale vaardigheden. Rumsfeld is zijn tegenbeeld: heel intelligent, maar op communicatief gebied een kluns.

Het emotionele aspect is in de politiek nochtans belangrijker dan het analytische. Toch zullen de volgende regeringen heel wat van Rumsfelds voorstellen overnemen. Ik denk aan zijn plan om in de plaats van grote militaire basissen kleinere, soepeler kampen op te zetten. Of aan zijn ideeën over long-range strikes - aanvallen over lange afstand - waardoor het leger minder afhankelijk is van steunpunten op de grond.

Volgens Tom Bissell zoekt u uitsluitend naar historische parallellen, maar neemt u daarbij weleens een loopje met de waarheid.

KAPLAN: Ik lok controverse uit, omdat ik nieuwe ideeën aandraag en duidelijke, heldere standpunten inneem. Die stuiten sommigen tegen de borst. Maar een weerwoord hoeft niet uit te monden in persoonlijke aanvallen. Overigens bestaat mijn werk niet alleen uit boeken over het leger. Ik ga nu schrijven over de ontwikkelingswerkers rond de Indische Oceaan. Ook zij verdienen dat hun stem wordt gehoord.

Lukas De Vos

Onze partners