Recensie 'Relikwie' van Bart Debbaut en 'Vlees' van Luc Deflo: "De kleinzoons van Tarantino"

01/06/16 om 09:36 - Bijgewerkt om 09:34

Pijn is de drug. De hernieuwde kennismaking met Alex Cross (2012), een beenharde misdaadfilm van Rob Cohen met Matthew Fox als de sadistisch-masochistische moordenaar die alleen kickt op verminking en foltering, bracht andere beelden boven. De grensoverschrijdende verharding in de Vlaamse thriller.

Recensie 'Relikwie' van Bart Debbaut en 'Vlees' van Luc Deflo: "De kleinzoons van Tarantino"

© GF

Pieter Aspe had in 2014 de toon al gezet in (Pijn)³ waarin een psychopaat de grenzen aftast van het ergst denkbare. Villen, levend koken, spietsen als Dracula. Het is een trend die zich doorzet, maar wel subtieler. Bart Debbaut voert een fetisjist op, die met ontzag de linkertepel van zijn vrouwelijke slachtoffers jaloers bewaart in een betere moutwhisky van Islay, Coal Ila.

Luc Deflo laat een man met waanideeën vrouwen schaken, opsluiten, vernederen, om zijn obsessie met vijf vrouwen een kroostrijk gezin te stichten te bevredigen. Tot één van de ontvoerde vrouwen sterft aan de mishandelingen, en het beest in hem helemaal losbreekt. "Hij pakte de wc-borstel, duwde die in de vagina van de dode Rachida en begon wild te draaien en te stoten". Surrogaat voor kuisheid en kuisdwang.

Debbaut pakt het kunstzinniger aan dan Deflo. De afglijding van zijn hoofdpersonage combineert bijna wiskundige nauwgezetheid met de vervoerende discipline van klassieke muziek. Het is alsof hij stemmen uit de ruimte hoort, die hem opdragen een misdadig kunstwerk te scheppen, en de schuld voor zijn fascinerende moorddrang door te geven aan de ene vrouw die moet overleven om hem na de dood te bevrijden van wroeging of misprijzen. Helemaal in de lijn van de opdracht waarmee de roman opent, enkele lijnen uit de onvergetelijke aria van Purcell in Dido and Aeneas: "Remember me, but ah ! forget my fate". Moord en verminking zijn de enige uitweg om het ondermaanse te ontstijgen. Het verhaal van een vrouw en moeder, Sandra, die verscheurd wordt door haar verhangenheid aan een veeleisende loverboy en haar trouw aan een voorkomende maar saaie echtgenoot, deint op twijfel, verslaving, afschuw en zelfvernietiging. "Verlos me van de pijn jou niet te mogen liefhebben". Een omkering van de vrouwelijke topos: noli me tangere, raak me niet aan.

Zowel Debbaut als Deflo maken niet het proces van een seriemoordenaar. Ze zetten in op de minutieuze ontrafeling van de dwingende psychologische drijfveren waar de mens geen greep op heeft, laat staan een moordenaar. Het echte personage is dus de verblinding, de "onweerstaanbare drang". Deflo verontschuldigt zich uitdrukkelijk. "De auteur vereenzelvigt zich op geen enkele wijze met de handelingen of zienswijzen van eender welk personage in dit boek". Het zou er nog moeten aan mankeren. Dan kan ik Drift, de opvolger van Vlees, geschreven met zijn eigen vrouw trouwens, ook maar meteen opzijleggen. Debbaut verschuilt zich achter meeslepende muziekpartituren: zij incarneren de ondefinieerbare "innerlijke bepaaldheid" waaraan de hoofdpersoon onderworpen is. Het heeft alles van een contrareformatorische eredienst. Minder de rechtvaardigheid, maar de onderworpenheid leidt de mens. Aan een absolute idee, aan een onbetwijfelbare god. Right or wrong, my desire.

Bij Debbaut is het leidmotief een lied van Franz Schubert, dat de moordenaar zich niet precies herinnert. Een sober stuk voor zang en piano. Het gaat eigenlijk om Der Tod und das Mädchen (Opus 7, nr. 3) uit 1817, vier jaar later in Wenen uitgegeven door Cappi & Diabelli. De tekst is van de populaire, piëtistische schrijver Matthias Claudius, voor wie overgave belangrijker was dan bevraging. Het is de uitdaging voor zowel slachtoffer als dader, een bijna middeleeuws dilemma over de onvermijdelijke dood en de verzoening met het eigen lot. "Vorüber, ach vorüber ! Geh, wilder Knochenmann. Ich bin noch jung ! Geh, lieber, und rühre mich nicht an". Het slachtoffer dat tijd wil kopen om het vege lijf te redden. Maar "haar doden had gevoeld als het proeven van zeldzame, gevarieerde delicatessen die de smaakpapillen op de proef stelden maar altijd op een zodanige manier dat euforie en voldoening het wonnen van decadentie en overdaad". Muziek is daarbij tijdeloosheid, een eindeloos banket van vervoering, een Perzisch tapijt waarop hij de onmogelijke liefde wil bedrijven. Een dodendans als ultieme vervulling - onontkoombaar, letargisch, hypnotiserend, absoluut. Want de dood straft niet, ze nodigt uit, zoals de Rattenvanger van Hamelen. "Sei gutes Muts! ich bin nicht wild,

Sollst sanft in meinen Armen schlafen". Zwaarmoedige rust die op bevrediging volgt, "la tristesse de l'animal après le coït".

Recensie 'Relikwie' van Bart Debbaut en 'Vlees' van Luc Deflo: "De kleinzoons van Tarantino"

© GF

Deflo's misdadiger is nog getormendeerder, en minder opgezet in zijn offerdienst aan de vrouw. Waar bij Debbaut "zelfrespect en woede" jaloezie en extase moeten kompenseren, "het orgasme op het moment dat je het leven tussen je handelen voelt wegsijpelen", het privilege van een tellurische godheid, beschrijft Deflo de onafwendbare ondergang van een steeds sneller afstervende oerkracht. Niks erger dan een stoere patser die wil vluchten met gouden krugerrands naar Zuid-Amerika, en zijn panspermisme tot één enkele geschaakte (en gefolterde) vrouw moet inkrimpen. Deflo's bijna patetische wildeman ondergaat zijn eigen burgerlijke wensdromen, hij wordt een verwisselbaar uitvoerder van een idee dat maatschappelijk uitgespuwd wordt: absolute macht. En daarin deerlijk faalt. Omdat de ontvoerde vrouwen niet beantwoorden aan zijn monomane, uitgestippelde opdracht. "Hoe konden ze zo blind en zelfzuchtig zijn? Soms kreeg hij bijna het gevoel dat er iets mis was met hem in plaats van met hen". Meelijwekkend.

Debbaut en Deflo vertegenwoordigen een vorm van psychologische thriller die amper haken heeft met de werkelijkheid. De daders zijn Einzelgängers die zich een alternatieve wereld dromen waarin ze de godkoning spelen. Helaas eist onze burgerlijke moraal dat die perversies ontzenuwd worden. De dader faalt dus. En dat is meteen het zwakste punt in beide thrillers. De aanbidding van een relikwie (een tepel, een baby) mondt onvermijdelijk uit in de verplettering van wie zich aan de relikwie onderwerpt. Beide auteurs beschrijven eigenlijk het bankroet van machtsdrang, en loven de onvervreemdbare waarden van de overlegmaatschappij. Verdraagzaamheid overwint. Maar maakt het leven wel voorspelbaar. En saai. A pain in the ass.

Lukas De Vos

Bart Debbaut, Relikwie. Tielt, Lannoo 2016, 253 blz.

Luk Deflo, Vlees. Gent, Borgerhoff & Lamberigts 2016, 294 blz.

Lees meer over:

Onze partners