Philipp Blom - Het verdorven genootschap

30/11/10 om 21:51 - Bijgewerkt om 21:51

Philipp Blom schreef een fascinerende geschiedenis over de lange tijd vergeten radicalen van de achttiende-eeuwse Franse verlichting, met Denis Diderot en Thiry d'Holbach als spilfiguren.

Philipp Blom - Het verdorven genootschap

Uitgeverij: De Bezige Bij, Amsterdam

Aantal pagina's: 444

Prijs: 29,50 euro

ISBN: 978-90-234-5831-9

Philipp Blom - Het verdorven genootschap

De persoonlijke vijand van God. De maître d'hôtel van de filosofen. Het zijn maar twee koosnaampjes voor baron Paul-Henri Thiry d'Holbach, een van de meest miskende patroonheiligen van de Franse verlichting. De natuurwetenschapper Holbach speelt een centrale rol in Het verdorven genootschap, een prachtig staaltje ideeëngeschiedenis van Philipp Blom.

Holbach, bastaardzoon van een salondame maar rijk geworden door de erfenis van een oom, hield midden in de achttiende eeuw op donderdag- en zondagavonden open dag in zijn salon in de rue Royale, vlak bij het Louvre. Hij ontving er de crème van de Franse philosophes en zorgde samen met Denis Diderot en hun gezamenlijke werk aan de Encyclopédie voor een sensuele, atheïstische vorm van verlichting die pas vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw opgeld zou doen. Diderot: 'In deze immense oceaan van materie lijkt niet één molecuul op een andere. De enige vastigheid is drinken, eten, leven, liefhebben en slapen.'

De grote roerganger van de Franse verlichting was traditioneel Jean-Jacques Rousseau, alias 'de Beer'. Met zijn astrakanmuts en zijn Armeense tuniek was hij de vip van de Franse verlichting met wie iedereen een handje wou schudden en een gesprek wou voeren.

Hij raakte in zijn jonge jaren bevriend met Denis Diderot nadat die in 1749 vanwege een te atheïstisch gekleurde verhandeling door de censuurpolitie werd opgesloten in de gevangenis van Vincennes. Diderot, aldus Blom, fluisterde Rousseau in hoe hij de jaarlijkse essaywedstrijd zou kunnen winnen - wat Rousseau trouwens deed.

Hij vroeg de Beer ook om samen te werken aan zijn monumentale Encyclopédie, die toen net op de rails werd gezet en pas 25 jaar later klaar zou zijn. En hij stond erop dat Rousseau zich zou aansluiten bij 'de sjeiks van de rue Royale', zoals het salon rond Holbach en Diderot schertsend werd genoemd.

Wie Blom leest, zit als het ware zelf aan tafel bij Holbach en Diderot. Zo levensecht is zijn filosofische societyrelaas. Hij is een meeslepende verteller die aan de hand van pittoreske details maar met oog voor synthese overtuigend demonstreert hoe dé verlichting niet bestaat, en er eigenlijk verschillende vormen van zijn.

Door zijn romaneske verteltrant toont hij ook hoezeer grote filosofische en maatschappelijke bewegingen, zoals de verlichting, gemaakt en gekraakt worden door visionaire individuen, die meer dan je zou denken hun kleine kantjes hebben. Rousseau, die samen met de bijna één generatie oudere Voltaire het klassieke uithangbord van de verlichting was, stond voor een lauwe versie. Rousseau, die een romantische natuurreligie propageerde, en de deïstische, aristocratische Voltaire weigerden immers om het bestaan van God te ontkennen.

De Beer, die aanvankelijk dus goede maatjes was met Diderot, raakte al snel gebrouilleerd met de kring rond Diderot en Holbach nadat hij zelf bekend was geworden. Hij trok zich terug uit het project rond de Encyclopédie omdat hij overal complotten zag tegen zijn persoontje.

Rousseau was alleen geïnteresseerd in Rousseau, terwijl de oude Voltaire vanuit zijn Zwitserse ballingsoord eveneens angstvallig zijn status van wijsgerige oppergod bewaakte. Blom vertelt hoe Voltaire dankzij een kansspel heel jong puissant rijk werd en sindsdien geld leende aan de machtigen der aarde: hij was als bankier-woekeraar een verdediger van het maatschappelijke status-quo.

Blom reconstrueert de glorieperiode van het salon tussen 1750 en 1775, toen Diderot en Holbach voor een stroom aan brisante publicaties zorgden. Dat gebeurde meestal anoniem, want de censuur en de gedachtepolitie waren alomtegenwoordig. Daarom trokken de echt subversieve denkers, zoals Diderot, zich terug in dergelijke salons. Die waren trouwens opvallend internationaal, want ook David Hume, Edward Gibbon (Decline and Fall of the Roman Empire) en Laurence Sterne (Tristram Shandy) kwamen er in de jaren 1760 over de vloer.

Tot slot blijkt dat de Nederlandse natuurwetenschappelijke traditie voor belangrijke intellectuele munitie zorgde voor deze eigenzinnige atheïsten van het goede leven: van Spinoza in Amsterdam tot Holbach die in Leiden studeerde en Diderot die enkele maanden in Den Haag doorbracht. Nederland gidsland. Maar in Parijs gebeurde het echt. Toen nog, tenminste.

Frank Hellemans

Onze partners