Kevin Absillis over het Vlaamse stigma

20/10/10 om 23:05 - Bijgewerkt om 23:05

Vlaamse schrijvers hebben sinds 1830 goed op hun tellen moeten passen. Pas onlangs lijkt het literaire schuldbesef te zijn afgenomen.

Kevin Absillis over het Vlaamse stigma

"Ik had Vlaamsch geschreven! Het ging vanzelve: alles was mij uit de pen gevloeid zonder moeite en, volgens mij toescheen, op zangerige maat en met eenen lossen, natuurlijken vorm. Er was, docht mij, niets aan te verbeteren of te veranderen." Als één ogenblik de geboorte van de moderne Vlaamse letterkunde verbeeldt, dan wel de openbaring die Hendrik Conscience boekstaafde in Geschiedenis mijner jeugd (1888).

Het was 1837, zeven jaar slechts na de Belgische revolutie. De grondwet van de nieuwe staat schonk de bevolking de vrijheid van taal, maar het Frans leek voorbestemd voor officiële gelegenheden en uitverkoren om gestalte te geven aan een Belgische letterkunde. In de onvermijdelijkheid van het Frans als literair medium geloofde aanvankelijk ook Henri Conscience, de in Antwerpen geboren zoon van een Franse vader en een nauwelijks geletterde, Kempense moeder. In Geschiedenis mijner jeugd beschrijft Conscience hoe hij zijn eerste verhaal - thema: de Beeldenstorm - in het Frans wilde neerschrijven en uren vruchteloos zwoegde op een openingszin. Tot de aspirant-auteur op de taal van zijn moeder overschakelde. Halleluja! Zijn kroontjespen was eensklaps niet meer in te tomen en na een welluidende aanhef volgden hele bladzijden. In geen tijd stond de eerste moderne Vlaamse roman op het papier: In 't Wonderjaer. Een jaar later pakte Conscience uit met het Gulden Sporenepos De leeuw van Vlaenderen en waren de Vlaamse letteren voorgoed vertrokken.

De man die zijn volk koeterwaals leerde lezen

Hendrik Conscience werd op handen gedragen. Niet alleen door de eerste generaties flaminganten, ook door het Franstalige establishment dat de ontluiking van een Vlaamse letterkunde toejuichte als een bijdrage tot Belgiës culturele identiteit. Dat de belangstelling voor Vlaamse letterkunde almaar uitbreidde, is een verdienste waarvoor de overdonderend productieve schrijver zelfs nu nog wordt geprezen. Toch bleef de man die zijn volk leerde lezen niet van kritiek gespaard. Hij had dan wel vanzelve en zonder moeite Vlaamsch geschreven, aan die taal bleek volgens menigeen bij nader toezien niet weinig te verbeteren.

Een van de eersten om Conscience aan de kaak te stellen was kanunnik Jan-Baptist David, hoogleraar Nederlands aan de Leuvense universiteit. Hoe hoog hij de volksheld ook achtte, diens taal vond hij een onbeholpen vertaald Frans vermengd met meer onfortuinlijks. Erger nog was dat het idioom van Consciences vakgenoten al even ondeugdelijk bleek. 'Hollands' mocht van kanunnik David gerust met Vlaamse woorden en uitdrukkingen worden aangelengd - graag zelfs, want al te onversneden Noordnederlands kon alleen maar tot calvinistische bekoringen voeren -, maar het koeterwaals van het Vlaamse schrijversgilde dreigde het hele Vlaamse volk te verbasteren!

Slachtoffers van historische verbastering

Het bastaardtaaltje van de Vlamingen schreef Jan-Baptist David toe aan het feit dat ze 'in het Fransch' dachten. Dáár had de kanunnik een punt. Na enig gekibbel had de Vlaamse Beweging besloten om geen Standaardvlaams te ontwikkelen, maar het Noordnederlands als cultuurtaal te adopteren. Strategisch was die keuze wel, maar evident niet. Niet voor het van degelijk onderwijs verstoken volk, maar ook niet voor de geletterden van wie verwacht werd dat ze dit volk zouden verheffen. Wie kon hen immers 'onberispelijk' Nederlands bijbrengen? De 16-jarige Albrecht Rodenbach realiseerde zich in 1873 alvast met schaamrode wangen dat zijn Frans van een beter gehalte was dan zijn Nederlands. En de twintigjarige historicus-in-opleiding August Vermeylen getuigde in 1892 dat hij liters zweet liet om 'zuiver Nederlandsch' te schrijven. Collega Cyriel Buysse overwoog omstreeks die tijd zowaar om zijn carrière voort te zetten in het Frans. Die stap zou zijn kansen op een internationale doorbraak vergroten en hem verlossen van de niet altijd even sympathieke kritiek op zijn werk in Vlaanderen. Zo vonden hoogleraren het fijn om te verkondigen dat Buysse het Nederlands minder beheerste 'dan een goede leerling uit de hoogste klasse onzer lagere scholen'.

In tegenstelling tot de in verre buitenlanden succesvolle 'franskiljons' Maurice Maeterlinck en Emile Verhaeren bleek het Frans voor Cyriel Buysse als literaire taal te hoog gegrepen. Vervolgens ging de schrijver op zoek naar een Nederlander die de vreemde plooien in zijn proza glad kon strijken. Dat deed later ook Willem Elsschot. Het kreukloze Nederlands van de geschaafd Antwerps koutende kleinburger was zoals bekend niet in kleine mate de verdienste van zijn Nederlandse relaties. Of het zijn oeuvre interessanter heeft gemaakt lijkt niemand zich nog af te durven vragen.

Bij aanvang van de 20ste eeuw leek Vlaanderen gedoemd om in een schaduwzone van de Europese beschaving te verpieteren. Een gezonde taal wilde er niet opschieten, bloeien deed er slechts het onkruid. Taalkundigen probeerden een goed gebruik van het Nederlands onophoudelijk te promoten en zoveel mogelijk onkruid te verdelgen. Zo verzamelden Willem De Vreese en Hippoliet Meert in de jaren 1890 naarstig gallicismen, Franse of uit het Frans vertaalde woorden, grammaticale constructies en uitdrukkingen die de standaardtaal niet toestaat. Hun hele onderzoek was gebaseerd op de Vlaamse literaire productie sinds 1830. De in dikke boeken gepubliceerde resultaten bevestigden wederom dat er heel wat schortte aan het proza van Conscience en dat van zijn geestelijke zonen en (minder in getal) dochters.

'Men meent dat de moedertaal is: de boekentaal welke door de meeste Zuidnederlandsche schrijvers gebezigd wordt,' registreerde Meert. Tragische vergissing! Zuidnederlandse auteurs schreven volgens Meert 'een in veel opzichten onhebbelijk iets dat zich sedert een lange reeks van jaren langzamerhand vastgezet heeft'. Willem De Vreese oordeelde niet minder streng: 'Als men de schoonste bladzijden der beste onder onze moderne schrijvers leest, dan wordt het genot steeds vergald door het onvolmaakte, het onnederlandsche van den vorm.' Voor het 19de-eeuwse geslacht van taalzondaars wilden beide puristen wel enige clementie opbrengen. Hippoliet Meert: 'Niemand hoeft te blozen, want hij die de zaak bestudeerd heeft, kan op zijn geweten verklaren dat een zuivere taal in Vlaanderen onbekend is. Op al onze schrijvers kleeft de erfzonde; geen schrijft onberispelijk; allen zijn ze slachtoffers van historische verbastering: ze schrijven Zuidnederlandsch, dat is al.' Meert en De Vreese warmden zich aan de hoop dat een volgend geslacht deze erfzonde ongedaan zou maken.

Onze verstandelijke nationaliteit

Achteraf rijst de vraag of het wel verstandig was om zo luid de literaire erfzonde over Vlaanderen af te roepen. Nadat het gezag om 'goede' van 'slechte' taal te onderscheiden aan Nederland was afgestaan, verwierf Vlaanderens broedervolk ook almacht in literaire zaken. De folklorist en leraar August Gittée noemde deze situatie in zijn reisgids Bij onze Noorderbroeders (1893) trouwens wenselijk: 'Holland verkreeg de letterkundige hegemonie, die in elk verlicht land bestaat en moet bestaan, en dáár ligt dan ook voor ons de verstandelijke nationaliteit.'

Helaas bleken niet alle Nederlanders mild om te willen springen met de verstandelijke nationaliteit die hen was toevertrouwd. De briljante essayist Lodewijk van Deyssel schepte een duivels plezier in de toenaderingspogingen van de halve Hottentotten die de streek bezuiden Roosendaal bevolkten. 'Het is ongelooflijk, welk eene hoeveelheid riemen papier die lieden hebben vol-geschreven om te laten zien, dat zij, letterkundig, bij Holland hooren', noteerde hij in 1891. 'Het is abominabel onheusch om menschen, die zoo veel avances doen, niet een beetje vriendelijk te ontvangen. Maar 't is góds-onmogelijk. Ze zijn in alles even grof, en er is geen gesprek met hen te voeren.'

Spot als die van Van Deyssel stimuleerde het geschaam van de Vlaam en vergrootte nog het gezag van Nederlandse kennersogen. Ook een Nederlands uitgeefimprint heette zo al gauw 'een waarborg van degelijkheid' (Karel van de Woestijnes woorden). Gedachten die in de omgekeerde richting kronkelden, burgerden even snel in. Wie tot Vlaamse uitgevers was veroordeeld, knoeide beslist maar wat aan. Wat dan echter met de nooit in dovemansoren vallende mening dat het Vlaamse boekbedrijf de speeltuin was van zwakbegaafden en Beotiërs? Helemaal te weerleggen is die mening wellicht niet, maar het lijkt er op dat ze toch meer gevolg dan oorzaak was van de hier geschetste Noord-Zuiddynamiek.

De schaamte voorbij

De associatie tussen Vlaanderen en geestelijke armoede hield ook na de Tweede Wereldoorlog stand, niet in de laatste plaats omdat de verwachtingen van Hippoliet Meert en Willem de Vreese niet waren uitgekomen. In Vlaamse velden tierde het taalonkruid nog altijd welig! Om de Vlaming voor eens en voor altijd 'beschaafd' te leren spreken kwam een taalopvoedingsactie op gang. Ze creëerde een klimaat waarin Vlaamse uitgevers geacht werden om te Vlaams klinkende teksten te vernederlandsen. Het getuigde van goede smaak en opvoedingszin, al speelden daarnaast evidente commerciële belangen mee. De firma van Angèle Manteau ging hierin wellicht het verst maar vernederlandsen was ook elders vaste prik. En geen Vlaamse auteur bleek veilig. Zo ontdeed Gerrit Borgers het Verzameld Werk van Paul van Ostaijen van 'de vele barbarismen' met als uitleg dat ze een onbedoeld neveneffect waren van 'een Vlaams sprekende omgeving, een gedeeltelijk Franstalige opleiding en een Duitse ballingschapstijd'. Of Van Ostaijen zich met alle 'verbeteringen' zou hebben verzoend, staat nog te bezien. 'Om het kort te situeren: de toestand is zwijnematig slecht in Europa', luidt de aanhef van zijn beroemde groteske De trust der vaderlandsliefde. Bespeurde de Nederlandse tekstbezorger in dat 'zwijnematig slecht' de sporen van een Duitse ballingschap? Hij veranderde Van Ostaijens frase in 'eenvoudig ellendig slecht'.

Zelfs de vrijgevochten Hugo Claus kwam ervoor uit dat hij zich nog voor zijn taal had geschaamd. Klein wonder: de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal vond het zinvol om de gallicismen in zijn werk bij te houden. (In het toneelstuk Een bruid in de morgen werden naar verluidt 'ten minste 60 zonden tegen het ABN bedreven'.) Claus zou het Vlaamse taaltrauma echter meer en meer tot de inzet maken van zijn werk. Na de publicatie van zijn roman Het verlangen (1978) drukte hij nota bene in de talkshow Noord- Zuid de hoop uit dat het Vlaams en het Noord-Nederlands uit elkaar zouden groeien: 'De taal heeft er alleen maar belang bij dat zij zo veelvoudig mogelijk wordt. Ik zou elementen in de taal willen brengen die zelfs grammaticaal onjuist zijn en alle gallicismes, alle germanismes, om het op te blazen.' Al formuleerde Claus zijn bedenking in sappig Nederlands, voor de voorvechters van de 'culturele integratie' was de provocatie er niet minder om.

Jeroen Brouwers, die zich in de tweede helft van de jaren 1970 als kwelduivel van de Vlaamse letteren ontpopte, had het niet begrepen op het 'kwakkeltaaltje' van Het verlangen. Dit retro-Claes was voor Nederlanders onleesbaar: 'Vlaanderen komt van ver en Vlaanderen is bezig weer naar dezelfde verte terug te keren.' Het was Hugo Claus boerenpens. Vijf jaar na Het verlangen schonk hij Vlaanderen Het verdriet van België, een uit Babylonische spraakverwarring opgetrokken monument waarin een oude erfzonde wordt bezworen. In verlichte kringen wordt graag verteld dat de Meester Vlaanderen de moderniteit in trok. Die opvatting is aan nuancering toe. Als niemand voor hem heeft Claus geanalyseerd hoe een Vlaams verlangen naar moderniteit was ontaard in broedervolkcomplexen, een obsessie met uniformiteit en een allergie voor het hybride. Naar die moderniteit heeft Claus Vlaanderen alvast niet geleid. De schrijver heeft er ons finaal, zo lijkt het wel, van willen verlossen.

Kevin Absillis

Op de Knack-dag (Antwerpse Boekenbeurs) op donderdag 4 november praat Frank Hellemans met Kevin Absillis en Walter van den Broeck over het Vlaamse stigma en hoe dat vandaag nog een rol speelt, of niet. Om 16u in de Groene Zaal.

Onze partners